Educatie door de ogen van John Dewey

· september 17, 2018

John Dewey (1859-1952) wordt beschouwd als een van de belangrijkste onderwijspsychologen uit de geschiedenis. Ook maakten zijn modellen op dit gebied deel uit van de revolutie van de pedagogiek in de vorige eeuw. Zelfs vandaag de dag is ons onderwijssysteem voor een groot deel nog steeds niet up-to-date met de bijdragen die John Dewey leverde.

In dit artikel gaan we het hebben over een van zijn klassieke werken, zijn boek Ervaring en opvoeding. In dit boek laat hij de synthese van zijn gedachten over educatie zien. John Dewey was er steevast van overtuigd dat mensen democratisch zouden moeten worden opgeleid om tot de methode te komen die bij studenten het kritisch denkvermogen zou bewerkstelligen waar de maatschappij profijt van zou hebben. Om dit te kunnen bereiken sprak Dewey van drie belangrijke principes die we in gedachten moeten houden bij het opleiden van jonge geesten: (a) de continuïteit van de ervaring, (b) sociale controle, en (c) de aard van de ervaring.

De continuïteit van de ervaring

Volgens John Dewey hebben onderwijs en ervaring een organische band met elkaar. Hiermee wilde hij zeggen dat onze ervaringen ons opleiden. Dit betekent echter niet dat elke ervaring echt en even educatief is. Zo zullen sommige van onze ervaringen obstakels worden in onze ontwikkeling en daardoor eerder ‘anti-educatief’ worden.

Klein kindje dat in een emmer graait

Dit is waar Deweys concept van continuïteit van ervaring in het spel komt. Een ervaring is ‘anti-educatief’ wanneer het de positieve impact van eerdere ervaringen terugdraait. Wanneer ervaringen je daarentegen helpen om daaropvolgende ervaringen onder ogen te komen, en zo een continue en verrijkende ervaring te creëeren, zijn ze juist educatief. Voor Dewey is het bereiken van deze continuïteit in positieve ervaringen van essentieel belang voor een goede educatie.

De traditionele educatie die we tegenwoordig ervaren, zit echter vol met ervaringen die deze continuïteit belemmeren. Hoeveel studenten vinden leren maar vermoeiend en bovendien saai? Helaas is school vandaag de dag een bron van angst voor een groot deel van de huidige studenten. Dit roept op zijn beurt een houding op waarmee studenten mogelijke educatieve ervaringen afwijzen, waardoor de continuïteit van de ervaring wordt verbroken.

Sociale controle

Een individu kan niet in zijn eentje leren. Anderen kunnen zijn educatie vergemakkelijken (vooral als het om kinderen gaat). Het is een sociaal proces. En omdat het een gemeenschap impliceert, heeft het onderwijs regels nodig om de sociale controle over educatieve activiteiten te behouden. Als deze regels niet zouden bestaan, zou er geen activiteit zijn. Het zou hetzelfde zijn als wanneer je een spel probeert te spelen dat geen regels heeft. Het zou zijn betekenis volledig verliezen.

Welke normen zouden er moeten gelden en hoe moeten ze worden toegepast? Ons traditionele onderwijssysteem is gebaseerd op het gebrek aan strenge regels die ervoor moeten zorgen dat studenten op het juiste pad blijven, of dit nu correct is of niet. Dewey merkte op dat dit type sociale controle een hiërarchische relatie tussen leraren en studenten genereerde. Dit zorgt er dus voor dat studenten een passieve rol krijgen in hun eigen educatie.

Dewey geloofde dat sociale controle uit de situatie zelf zou moeten voortkomen. Flexibele regels die zich aanpassen aan de vooruitgang van de studenten. Ook zouden de omstandigheden van het onderwijzend personeel ideaal zijn. Het is belangrijk om te onthouden dat het in dit geval van belang is dat de hele onderwijsgemeenschap deelneemt aan het onderwijs. Het in stand houden van de regels die berusten op een samenwerking tussen de leerkrachten en de studenten, zodat ze samen een schoolomgeving kunnen creëren die de kans om te leren stimuleert.

De aard van vrijheid

Wanneer we het hebben over sociale controle en regelgeving, komt automatisch ook het woord vrijheid naar voren. Je zou denken dat wanneer er meer sociale controle is, er minder vrijheid is, maar dat is niet helemaal waar. Of dit zo is, hangt af van de soort sociale controle die er wordt uitgeoefend en de aard van de vrijheid die voorhanden is. John Dewey verdeelt het begrip vrijheid op in bewegingsvrijheid en vrijheid van denken.

Bewegingsvrijheid is het potentieel dat ons in staat stelt om elke vorm van gedrag uit te voeren. Hoe meer bewegingsvrijheid, hoe meer gedrag er mogelijk is. Vrijheid van denken is echter veel complexer. Het is het vermogen om een situatie en de verschillende manieren waarop je deze situatie kunt confronteren kritisch te evalueren. Hoe meer vrijheid van denken we dus hebben, hoe meer opties we kunnen evalueren om ons gedrag te bepalen.

Deze twee soorten vrijheid hoeven niet hand in hand te gaan. In feite kan onze mate van bewegingsvrijheid zelfs de mate waarin we vrij kunnen denken, beperken. En dit is ook precies waar Dewey kritiek op had aangaande progressieve scholen. Volgens hem was het enige objectief van deze scholen de bewegingsvrijheid van de studenten. Scholen zouden echter geen bewegingsvrijheid moeten geven zonder rekening te houden met de vrijheid van denken van de studenten. Studenten kunnen zich makkelijk laten meeslepen door hun impulsen, waardoor ze niet in staat zijn na te denken over al hun mogelijkheden.

Een belangrijk aspect hierbij is dat vrijheid nooit een doel moet zijn. Vrijheid is een hulpmiddel dat studenten helpt om zich te ontwikkelen. Als je je studenten vrijheid van denken geeft, kunnen ze hun ervaringen op autonome wijze richten op een onderwijscontinuïteit.

Screenshot uit de film Dead Poets Society

De educatie van John Dewey

John Dewey had erg veel kritiek op onze traditionele onderwijsmodellen, alsook op enkele van de meer progessieve onderwijsmodellen. Hij zag traditionele modellen als rigide systemen met educatieve doelstellingen die zeer veel verschilden van zijn democratische principes. Ook vond Dewey dat progressieve modellen tekortschoten in hun initiatieven en hun doelstellingen niet bereikten.

Helaas is ook Dewey er nooit in geslaagd om een ​​ideaal onderwijsmodel te ontwikkelen. Hij was echter wel zeer duidelijk over het gegeven dat, om de bestaande onderwijsmodellen te kunnen verbeteren, er eerst wetenschappelijk en rigoureus onderzoek op dit gebied noodzakelijk is. Onderzoek dat in staat is om de aannames te bestrijden die toen zo populair waren en op de een of andere manier nog altijd gedijen.

Door gegevens te verzamelen over onze huidige scholen, kunnen we zien wat voor veranderingen er nodig zijn. Het is dus een continu proces van toepassing-onderzoek-toepassing. En door middel van dit proces zou ons huidige onderwijssysteem stappen moeten nemen richting een onderwijssysteem dat waarevol en oprecht is. De onderliggende vraag van deze aanpak is gecompliceerd. Is ons huidige onderwijssysteem gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek of wordt het geleid door economische en politieke machten?