De persoonlijkheidstheorie van Sigmund Freud

· september 29, 2018

De persoonlijkheidstheorie van Sigmund Freud is gaandeweg veranderd. Freud dacht dat de menselijke persoonlijkheid een resultaat was van de strijd tussen onze destructieve impulsen en onze zoektocht naar genot. Hij nam echter ook sociale factoren mee in zijn overwegingen omtrent deze strijd.

Onze persoonlijkheid is slechts een product van onze eigen creatie. Het is het resultaat van de manieren waarop mensen met hun interne conflicten en externe eisen omgaan. Iemands persoonlijkheid zal dus bepalen hoe hij zich in de sociale wereld ontwikkelt. Daar blijft het niet bij: het bepaalt bovendien ook nog eens hoe iemand met zijn conflicten omgaat, zowel intern als extern.

Sigmund Freud, een neuroloog en het oorspronkelijke brein achter de psychoanalyse, bedacht vijf modellen die binnen zijn persoonlijkheidstheorie vallen. Dit zijn het topografische model, het dynamische model, het economische model, het genetische model en het structurele model. Hij trachtte middels deze modellen vorm te geven aan een compleet kader waarmee iedereens persoonlijkheid omschreven kan worden.

De modellen binnen Sigmund Freuds persoonlijkheidstheorie

Freud’s persoonlijkheidstheorie gaat in op bepaalde structuren. Beschouw de modellen die we hier gaan behandelen dan ook niet als absolute waarheid. Wel kun je ze zien als bijzonder handige middelen om te leren begrijpen hoe de menselijke psyche werkt. We gaan ze elk apart uitleggen, maar houd in gedachten dat ze allemaal met elkaar te maken hebben.

1. Het topografische model

Freud gebruikte de metafoor van de ijsberg om de drie delen van de ziel begrijpelijker te maken. De punt van de ijsberg, dus het gedeelte dat je kunt zien, staat voor datgene waar we ons bewust van zijn. Dit gedeelte kan een rol spelen bij zo’n beetje alles dat je op een zeker moment ervaart: waarnemingen, herinneringen, fantasieën en gevoelens. Alles waar je je bewust van bent dus.

Het ondergedompelde gedeelte van de ijsberg dat misschien nog onder het water zichtbaar is, is het onderbewuste. Dit heeft te maken met alles wat je je kunt herinneren. Je zult er in het heden niet altijd aan denken, maar je kunt het wel vrij gemakkelijk weer oproepen. Soms komt het ook vanuit zichzelf terug omhoog, zoals bij een soort déjà vu moment.

Het grootste gedeelte van de ijsberg, dat zich onderwater begeeft en niet zichtbaar is, is het onbewuste. Dit is waar je al je herinneringen, gevoelens en gedachten opslaat waar je bewustzijn niet meer bij kan. Het slaat dingen op die misschien moeilijk te verwerken zijn; die onaangenaam, pijnlijk, verontrustend zijn en je bovenal kwellen.

Het topografische model van de persoonlijkheidstheorie

2. Het dynamische model

Dit is misschien wel het meest onbegrijpelijke model binnen de persoonlijkheidstheorie. Het heeft namelijk te maken met de psychologische dynamiek die stamt uit ons innerlijke gevecht. Dit gevecht woedt tussen impulsen die ons tot grenzeloze bevrediging willen leiden en de verdedigingsmechanismen hiertegen.

Onze regulerende, psychologische dynamiek heeft één basisdoel. Het streeft ernaar om ons onszelf te laten ontwikkelen en onszelf aan te passen aan onze sociale omgevingen. De verdedigingsmechanismen die uit dit model (en de Über-ich, waar we later op terugkomen) stammen, zijn:

  • Onderdrukking (van gevoelens of driften).
  • Reactievorming (het onderdrukken van riskante verlangens door tegenovergesteld gedrag te vertonen).
  • Verplaatsing van gevoelens (van één ding naar iets anders).
  • Fixatie (blijven steken in een bepaalde fase van een lustervaring).
  • Regressie (terugkeer naar een eerdere fase in de levensontwikkeling).
  • Projectie (gevoelens die je richting een persoon ervaart projecteren op de therapeut).
  • Introjectie (opnemen van uiterlijke normen en waarden in de opbouw van je eigen persoonlijkheid, zodat ze niet meer als externe bedreigingen ervaren worden).
  • Sublimatie (het omzetten van oerdriften in sociaal of maatschappelijk geaccepteerde vormen).

Dit zijn erg belangrijke onderdelen van de persoonlijkheidstheorie van Freud.

3. Het economische model

Dit heeft te maken met datgene dat Freud “drift” noemt. Je kunt het zien als de energie die je aanmoedigt om een specifiek doel te zoeken. Drift is de motor en de energie die je in beweging brengt. Vandaar dat Freud dacht dat al onze gedragingen gebaseerd waren op allerlei driften. Hij deelde deze driften op in de levensdrift (Eros) en de doodsdrift (Thanatos).

De levensdrift staat in verbinding met onze overlevingsinstincten: bijvoorbeeld onze drang om te creëren, onszelf te beschermen en relaties te vormen. De doodsdrift staat daarentegen in verbinding met onze destructieve neigingen, zowel naar onszelf als anderen. Hij legt een verbinding tussen deze doodsdrift en het concept van Nirvana, welke staat voor niks, het niet-bestaan of leegte.

4. Het psychoseksuele model

Dit model bestaat op zijn beurt uit vijf fases van psychoseksuele ontwikkeling. Deze fases plaatsen elk nadruk op de bevrediging van een bepaalde erogene zone. Ze veranderen naarmate we ouder worden. Freud ontdekte bovendien dat niet alleen volwassenen voldoening winnen uit hun erogene zones, maar kinderen ook. Teveel van dit soort bevrediging of plotselinge frustratie tijdens deze fases kan leiden tot de ontwikkeling van bepaalde persoonlijkheidstrekjes.

Hier volgen de fases uit de psychoseksuele ontwikkeling in het kader van de persoonlijkheidstheorie:

  • Orale fase: 0 – 18 maanden. De mond is hier de bron van voldoening. Je zuigt, kust en bijt. Een fixatie op deze fase kan leiden tot een oraal receptieve persoonlijkheid. Dat betekent dat een persoon zijn voldoening via zijn mond zal proberen te krijgen (roken, teveel eten, enzovoorts). Aan de andere kant kan een plotselinge frustratie in deze fase later ook tot orale regressie leiden. Zo zal iemand later in het leven voldoening putten uit verbale agressie richting anderen.
  • Anale fase: 18 maanden – 4 jaar. De anus is de bron van voldoening. Je houdt op of duwt naar buiten. Teveel controle hier kan leiden tot een terughoudende, gierige persoonlijkheid. Het tegenovergestelde scenario zou namelijk juist leiden tot een lakse, spilzieke persoonlijkheid.
  • Fallische fase: 4 – 7 jaar. De genitaliën zijn hier de collectieve bron van voldoening. In deze fase komt masturbatie veel voor. Kinderen identificeren zich hier met hun moeder of vader. Het Oedipus- of Elektracomplex wordt hierin ook opgelost. Dit structureert onze persoonlijkheid en helpt ons sociale normen accepteren.
  • Latentiefase: 7 – 12 jaar. Volgens Freud onderdrukken we tijdens deze periode ons libido zodat we ons beter kunnen leren aanpassen aan onze omgeving.
  • Genitale fase: 12 jaar en ouder. Vanaf deze tijd is ons libido daadwerkelijk te merken, vanaf de adolescentie. Hierin wordt vervolgens onze seksuele identiteit (opnieuw) bevestigd.
Vader en kind houden elkaars hand vast

5. Het structurele model

Dit model van Freuds persoonlijkheidstheorie valt op omdat het onze geest in drie delen opsplitst. Deze drie delen ontwikkelen zich tijdens de kindertijd. Elk deel heeft zo zijn eigen functies en bevindt zich op een ander niveau van onze geest dan de andere twee. Toch werken ze samen om onze persoonlijkheid tot één groot geheel te brengen.

  • Es (id): dit is het primitieve, instinct-gedreven deel van ons. Het enige doel hiervan is om naar al onze impulsen te handelen. Ook staat het voor onze basisbehoeften en verlangens (de levensdrift en doodsdrift).
  • Ich (ego): dit ontwikkelt zich naarmate we ouder worden. Het is namelijk een soort onderhandelaar tussen de Es en het Über-Ich. Dit is in feite de vormgever van onze realiteit.
  • Über-Ich (superego): dit omvat onze morele en ethische neigingen die we van onze cultuur en maatschappij meekrijgen. Het zijn de wetten en normen waarnaar we ons (willen) gedragen.

We willen je er nogmaals op wijzen dat al deze modellen met elkaar in verbinding staan. Ze maken een persoonlijkheid tot een dynamische groep van psychologische eigenschappen. Deze eigenschappen conditioneren op hun beurt hoe iedereen zich in specifieke situaties gedraagt.

“De tol die we voor onze vooruitgang in de beschaving betalen, is een verlies van geluk door een verhoogd schuldgevoel.”

-Sigmund Freud-