Kind zijn in een wereld vol oververmoeide volwassenen is verdraaid lastig

september 3, 2017 in Psychologie 162 gedeeld
Kind Oververmoeide Volwassenen

Er bestaat niet zoiets als een ‘moeilijk kind’. Want werkelijk moeilijk is het om kind te zíjn in een wereld vol chronisch vermoeide, drukke, gestreste, ongeduldige en voortijlende volwassenen. Een boel ouders, docenten, en zorgverleners vergeten immers maar al te vaak één van de belangrijkste verantwoordelijkheden van de opvoeding: kinderen voldoende avontuur verschaffen.

Dit probleem is tegenwoordig – helaas – aan de orde van dag. Vader, moeder, juf of meester, ze maken zich dikwijls al zorgen als het kind simpelweg even bevangen (b)lijkt door rusteloos- of licht baldadige luidruchtigheid, en zelfs wanneer het straalt van geluk, overloopt van emoties, en spontaan, dartel-gedrag vertoont. Sommige mensen willen wellicht geen levende kinderen, maar liever passieve muurbloempjes.

Het is normaal en heel natuurlijk voor kinderen om rond te rennen, te springen, vliegen en schreeuwen, te ravotten, spelen en experimenteren. Kortom: om hun omgeving fantasierijk te benaderen als één groot pretpark, met ontelbare ontdekkingsmogelijkheden. Zeker als peuter en kleuter, maar sowieso in hun jonge(re) jaren, is het zeer gezond om een kind de ruimte, tijd en vrijheid te gunnen om helemaal zichzelf te zijn. Sta hen toe hun eigen nieuwsgierigheid, impulsen en ingevingen te volgen. Dwing hen niet zich aan te passen aan het stramien en de vereisten van jouw meerderjarige geest.

Om dit mogelijk te maken, moeten deze twee fundamentele dingen begrepen worden:

  • Beweeglijkheid is geen ziekte, stoornis, of afwijking. Verlang geen mate van zelfbeheersing die noch natuurlijk, noch maatschappelijk noodzakelijk is.
  • We doen kinderen een gunst door verveling toe te staan, en overstimulatie te vermijden.

Kind Oververmoeide Volwassenen

Waarom voeren we onze kinderen vol met medicijnen?

Hoewel het een zeer trendy begrip is geworden in het onderwijs en de gezondheidszorg, blijft het bestaan van ADHD (de bekende aandoening met het vermeende aandachtstekort, en hyperactiviteit) te betwisten – of op zijn minst de manier waarop het (epidemisch) gedefinieerd wordt. Tegenwoordig fungeert het namelijk als een algemene verzamelterm waaronder allerlei gebreken en ongemakken generiek geschaard worden; van neurologische klachten en gedragsmatige problemen, tot mentaal-materiële malaise, en een onvermogen om autonoom te functioneren, om je te redden in je eigen omgeving.

De cijfers zijn overweldigend. Volgens data gepubliceerd in de Diagnostische en Statistische Handleiding van Mentale Stoornissen, is de prevalentie van ADHD gemiddeld maar liefst drie tot zeven gevallen op iedere 100 kinderen. Het meest zorgwekkende is misschien nog wel dat de onderliggende biologische verklaringshypothese slechts een voorlopige vooronderstelling is, een aanname, die ze proberen te bevestigen op basis van een beperkt aantal bijeengezochte casus-voorbeelden, met wetenschappelijk verre van rigoureuze redeneringen als: ”het lijkt erop alsof A gebeurt, vanwege…”.

Ondertussen geven we onze kinderen bij het minste of geringste ingrijpende geneesmiddelen, omdat ze zogenaamd verstorend gedrag vertonen, omdat ze te snel afgeleid zouden raken, of omdat ze te impulsief zijn, en niet (eerst) rustig nadenken eer ze aan een opdracht beginnen. Dit is – hoe dan ook – een buitengewoon delicaat onderwerp, waarbij het aan te bevelen valt om extra verantwoord en voorzichtig te werk te gaan, door advies in te winnen bij capabele kinderpsychologen en -psychiaters.

Hier het vermelden waard is dat er – momenteel – (nog altijd) geen klinische of psychologische test voorhanden is die objectief, onomstotelijk, ADHD kan vaststellen, of ‘bewijzen’. Deze toetsing is grotendeels gebaseerd op indrukken, en een tamelijk subjectieve lezing van de behoorlijk ambivalente uitslagen. De diagnose is onder andere gestoeld op een vage factor als de tijdsduur – hoe lang deed de (proef)persoon erover om een bepaalde taak te voltooien? Alsmede op globale impressies van de betreffende observator, en analysator. Frappant, is het niet?

Want laten we bovenal niet vergeten dat nota bene kinderen wordt opgedragen al deze potentieel gevaarlijke middelen te slikken: van amfetaminen en antipsychotica tot angstremmers, met dikwijls desastreuze gevolgen voor hun neurologische ontwikkeling. We weten immers niet wat de lange termijn effecten zijn, van deze medicijnen überhaupt, noch van hun overmatige gebruik. Deze standaard aanpak is vrijwel uitsluitend symptoombestrijding, terwijl de aandoening onder de oppervlakte blijft etteren, en ontsteken. Kortom: er is geen sprake van een oplossing, eerder van pappen, nathouden en onderdrukken.

Kind Oververmoeide Volwassenen

Wat een wreed mechanisme! Waarom gebeurt het dan toch steeds weer, steeds opnieuw? Eén van de drijfveren is economisch van aard: de farmaceutische industrie verdient immers miljarden aan de farmacologische behandeling van kinderen. Verder vigeert het verraderlijke gezegde: ‘Het is beter dan niets (doen)‘, of zelfs: ‘Het kan in ieder geval geen kwaad‘. Het bedrog van de ‘gelukspil’ ín, of uít, een potje, is voor velen met hardnekkige psychosomatische kwalen maar moeilijk af te slaan of door te prikken.

Gelet op deze pathologische opmars – of plaag – van labels uit de losse pols, en twijfelachtige, stigmatiserende diagnoses, betaamt het ons bescheiden een toontje lager te zingen, en ons te realiseren dat eigenlijk de volwassenen juist doorgeslagen, en ziek zijn. Met als ernstigste mankement een falend beleid en management op het gebied van het onderwijs en de educatieve politiek.

Steeds meer specialisten worden zich acuut van dit systematische defect bewust, en proberen zowel ouders als professionals te bevrijden van deze ADHD-gekte, en obsessie. Een heel scala aan problemen met de beschuldigende vinger onder één ambigue noemer scharen heeft volgens hen weinig zin. Vaak kunnen de karakteristieke symptomen eerder ge- en verweten worden aan de monotone omgeving, en een tekort aan creatief-stimulerende uitdagingen, waarin kinderen hun intrinsieke of latente talenten en vaardigheden mogen ontdekken.

Zoals Marino Pérez Álvarez, klinisch psycholoog en professor in de psychopathologie en interventietechnieken aan de Universiteit van Oviedo in Spanje, reeds schreef: “Ook al wordt het gepresenteerd als officiële, en academisch respectabele term, toch is ADHD niets meer dan een wetenschappelijk en neurologisch ongefundeerd etiket voor problematisch gedrag van kinderen. Het is een rampzalig label omdat het een hoop heel normale problemen, ten onrechte pathologiseert, dat wil zeggen: tot medische aandoening bombardeert.”

Het bestaat simpelweg niet. ADHD is een diagnose zonder enig klinisch gewicht, en de opgedrongen medicatie behandelt [onze kinderen] niet, maar bedwelmt ze”, aldus Marino. Het idee dat een neuro-biochemische disbalans diverse problemen kan veroorzaken is de laatste decennia enorm in zwang geraakt, maar het is niet duidelijk wat nou het kip of het ei is. Met andere woorden: een neuro-biochemische disbalans kan, andersom beargumenteerd, ook juist vóórtkomen uit de (verstoorde) relatie met onze omgeving.

Een passende en meer dan terechte vraag zou dan ook moeten zijn: is ADHD wetenschap, ideologie, of een marketingmachine gericht op financieel gewin? Het is daarin van essentieel belang om kritisch naar dit fenomeen, en de hele wereld eromheen, te durven kijken. Lijdt deze discipline bijvoorbeeld  niet aan ‘cerebraal centrisme’, dat wil zeggen: koste wat kost alles willen herleiden tot fysiek determineerbare oorzaken, zonder helder te reflecteren op wat precies oorzaak, en wat gevolg is. Misschien is het vooral verstandig om een eerlijke blik te werpen op hoe we onze samenleving bestieren, en waar werkelijk wetenschappelijk bewijs voor bestaat, te ja en te nee.

Met deze nuchtere, neutrale houding als uitgangspunt, dienen we ons onbevangen af te vragen waar de kinderen en volwassen die nu nog over een kam gediagnosticeerd worden, goed in zijn, wat hun kracht is, waar ze behoefte aan hebben, en wat ze nodig hebben. Een aanpak die ontvankelijk is voor, en afgestemd is op individuele verschillen, zal namelijk leiden tot een betere (geestelijke) gezondheid, alsmede een toename in het innerlijk ervaren welzijn van talloze kinderen, waar de maatschappij als geheel op haar beurt ook weer van zal profiteren – en niet enkel economisch. Dit hele proces begint met het hér- en érkennen van wat er – in de status quo – mis is, en van dááruit ontstaat, hopelijk, positieve verandering.

Het belang van routine voor kinderen

Bekijk Ook