Eriksons fasen van psychosociale ontwikkeling

augustus 13, 2019
In de tweede helft van de twintigste eeuw ontwikkelde Erik Erikson een van de populairste en meest invloedrijke ontwikkelingstheorieën: de theorie van psychosociale ontwikkeling.

De fasen van psychosociale ontwikkeling van Erikson verwijzen naar een uitgebreide psychoanalytische theorie die een reeks fasen identificeert die een gezond individu gedurende zijn leven moet ervaren. Elke fase wordt gekenmerkt door een psychosociale crisis van twee tegenstrijdige krachten.

Erik Erikson was net als Sigmund Freud van mening dat persoonlijkheid zich in een aantal fasen ontwikkelde. Het fundamentele verschil tussen Erikson en Freud is dat Freud zijn theorie baseerde op een reeks psychoseksuele fasen.

Erikson richtte zich daarentegen voornamelijk op psychosociale ontwikkeling. Hij was geïnteresseerd in hoe interactie en sociale relaties een rol speelden bij groei en ontwikkeling.

De conflicten van een man vertegenwoordigen wat hij ‘echt’ is.

-Erik Erikson-

Fasen van psychosociale ontwikkeling

Elk van de acht fasen die Erikson in zijn theorie beschreef, baseert zich op de voorgaande fasen, en maakt de weg vrij voor de volgende fasen.

Erik erikson over psychosociale ontwikkeling

Volgens Erikson ervoeren mensen in elke fase een conflict dat als een keerpunt diende in hun ontwikkeling. Het was een stimulans voor verandering en groei.

Deze conflicten zijn bedoeld om een ​​bepaalde psychologische eigenschap te ontwikkelen (of niet te ontwikkelen). Tijdens elke fase is het potentieel voor persoonlijke groei groot, maar de kans om te falen ook.

Als iemand een bepaald conflict daarom succesvol doorstaat, zal hij met een nieuwe psychologische kracht waar hij de rest van zijn leven profijt van zal hebben overgaan in de volgende fase. Als het hem echter niet lukt om het conflict effectief te overwinnen, kan het zijn dat hij niet de vaardigheden ontwikkelt die hij nodig heeft om uit te blinken in de volgende fasen.

Volgens Erikson was het ook zo dat een gevoel van competentie de drijfveer was achter bepaald gedrag en bepaalde handelingen. Zodoende gaat het er in elk van de fasen van zijn theorie om dat we competent worden in een bepaald levensgebied.

Als een persoon een fase goed beheert, ontwikkelt hij een gevoel van competentie. Als hij de fase echter slecht beheert, zal de persoon zitten met een gevoel van onbekwaamheid op dat gebied van zijn ontwikkeling.

Fase 1: Vertrouwen versus wantrouwen (0-18 maanden)

In de eerste ontwikkelingsfase leren kinderen anderen te vertrouwen of niet te vertrouwen. Vertrouwen heeft veel te maken met gehechtheid, relatiebeheer en de mate waarin het kind verwacht dat anderen aan zijn behoeften zullen voldoen.

Omdat een baby volledig afhankelijk is, is de ontwikkeling van vertrouwen gebaseerd op de betrouwbaarheid en kwaliteit van de zorgverleners van het kind, vooral de moeder.

Als ouders hun kind blootstellen aan een aanhankelijke relatie waarin de nadruk wordt gelegd op vertrouwen, is de kans groot dat het kind deze houding ook naar de rest van de wereld zal aannemen.

Als ouders geen veilige omgeving bieden en niet voorzien in de basisbehoeften van het kind, zal het waarschijnlijk leren niets van anderen te verwachten. De ontwikkeling van wantrouwen kan leiden tot frustratie, achterdocht of ongevoeligheid.

Fase 2: Autonomie versus schaamte/twijfel (18 maanden – 3 jaar)

In de tweede fase verwerven kinderen een zekere mate van controle over hun lichaam. Dit vergroot op zijn beurt hun autonomie. Door met succes bepaalde taken zelfstandig uit te voeren, ontwikkelen ze een gevoel van onafhankelijkheid.

Door kinderen toe te staan ​​beslissingen te nemen en controle te krijgen, kunnen ouders en zorgverleners kinderen helpen een gevoel van autonomie te ontwikkelen.

Kinderen die deze fase met succes voltooien, hebben meestal een gezond zelfbeeld, terwijl degenen die de fase niet succesvol voltooien zich vaak onstabiel voelen. Volgens Erikson zou het vinden van een balans tussen autonomie, schaamte en twijfel tot vrije wil leiden. Dit houdt in dat kinderen opzettelijk kunnen handelen, binnen bepaalde grenzen.

Fase 3: Initiatief versus schuldgevoel (3-5 jaar)

In de derde fase die Erikson voorstelt beginnen kinderen hun macht en controle over de wereld te versterken. Dit doen ze door middel van spel, een onmisbaar kader voor sociale interacties. Wanneer ze een ideale balans bereiken tussen individueel initiatief en de bereidheid om met anderen te werken, ontwikkelen ze een gevoel van doelgerichtheid.

Kinderen die deze fase succesvol volbrengen, hebben zelfvertrouwen en voelen zich in staat om anderen te begeleiden. Degenen die deze kwaliteiten niet ontwikkelen, voelen zich waarschijnlijk schuldig, hebben twijfels en tonen geen initiatief.

Schuld is goed omdat het laat zien dat kinderen over het vermogen beschikken om in te zien wanneer ze iets verkeerd hebben gedaan. Een overmatig of onterecht schuldgevoel kan er echter voor zorgen dat kinderen uitdagingen weigeren omdat ze denken dat ze niet in staat zijn om ze aan te pakken. Schuldgevoel kan daarom vaak angst voeden.

Jongetje met zijn hoofd in zijn handen

Fase 4 van psychosociale ontwikkeling: Industrie versus minderwaardigheid (5-13 jaar)

In deze fase beginnen kinderen ingewikkeldere taken uit te voeren. Bovendien bereiken hun hersenen een hoge mate van volwassenheid, waardoor ze om kunnen gaan met abstracte onderwerpen. Ze zijn tevens in staat hun eigen capaciteiten te herkennen, en ook die van hun leeftijdsgenoten.

Sommige kinderen staan ​​er zelfs op dat ze meer uitdagende en veeleisende taken krijgen. Ze hopen dan een bepaalde mate van erkenning te krijgen wanneer ze deze taken voltooien.

Het vinden van balans in deze fase leidt ertoe dat kinderen gaan vertrouwen in hun eigen vermogen om succesvol om te gaan met de taken die ze krijgen. Het is ook belangrijk dat ze leren in te zien welke uitdagingen ze realistisch gezien wel aankunnen en welke uitdagingen ze niet aankunnen.

Als kinderen daarentegen niet zo goed presteren als ze zouden willen, kunnen ze een gevoel van minderwaardigheid ontwikkelen. Als dit gevoel niet op de juiste manier wordt aangepakt en kinderen geen hulp krijgen bij het beheersen van hun emoties, kunnen ze uiteindelijk uit angst om dat gevoel opnieuw te ervaren elke taak die moeilijk lijkt afwijzen.

Het is daarom ook belangrijk om te kijken naar de moeite die een kind heeft gedaan om een taak te volbrengen. Dus niet alleen naar het resultaat.

Fase 5: Identiteit versus rolverwarring (13-21 jaar)

In de vijfde fase worden kinderen tieners. Ze ontdekken hun eigen seksuele identiteit en beginnen een beeld te vormen van de persoon die ze in de toekomst willen zijn. Naarmate ze groter worden, proberen ze hun doel en rol in de samenleving te vinden. Op basis hiervan zullen ze hun unieke identiteit vastleggen.

In deze fase onderscheiden jongeren ook welke activiteiten geschikt zijn voor hun leeftijd en welke als ‘kinderachtig’ worden beschouwd. Ze moeten een compromis vinden tussen wat ze van zichzelf verwachten en wat anderen van hen verwachten. Voor Erikson legt het succesvol voltooien van deze fase een basis voor volwassenheid.

Fase 6: Intimiteit versus isolatie (21-39 jaar)

In deze fase worden tieners jongvolwassenen. De verwarring tussen identiteit en rol komt ten einde. Normaal gezien is het in deze fase nog steeds een prioriteit voor jonge volwassenen om anderen te behagen er erbij te horen.

Dit is echter ook de fase waarin ze hun eigen rode strepen beginnen te trekken. Ze geven aan welke dingen ze niet bereid zijn op te offeren om anderen te behagen.

Het is waar dat dit vaak ook het geval is bij tieners, maar toch is de betekenis iets anders. Jongvolwassenen beginnen steeds minder reactief te worden en leren in plaats daarvan om initiatief te nemen en actief te worden.

Als mensen eenmaal hun identiteit hebben vastgesteld, zijn ze klaar om langdurige relaties aan te gaan met anderen. Ze worden in staat om intieme en wederkerige relaties te vormen.

Ook zullen ze bereidwillig de opofferingen en verplichtingen volbrengen die deze relaties vereisen. Als een persoon die intieme relaties niet kan vormen, kan hij een gevoel van ongewenste isolatie beginnen te ontwikkelen.

Als iemand in deze fase geen partner vindt, kan hij zich geïsoleerd of eenzaam voelen. Isolatie kan onzekerheden en een gevoel van minderwaardigheid creëren uit angst voor wat andere mensen misschien denken. Diegene zal misschien denken dat hij niet goed genoeg is voor andere mensen, en dat kan leiden tot zelfdestructieve neigingen.

Fase 7: Generativiteit versus stagnatie (40-65 jaar)

Tijdens de volwassenheid blijven mensen hun leven opbouwen en zich richten op hun loopbaan en gezin. Generativiteit verwijst naar de zorg voor mensen buiten hun naaste omgeving van familie en vrienden.

Wanneer mensen een middelbare leeftijd bereiken, beginnen ze verder te kijken dan hun directe omgeving, inclusief zichzelf en hun familie, en een breder beeld te ontwikkelen waar ook hun samenleving en nalatenschap bijhoort.

In deze fase beginnen mensen in te zien dat het leven niet alleen om hen draait. Door middel van hun handelingen hopen ze een bijdrage te leveren die deel uit zal maken van hun nalatenschap.

Wanneer iemand dit doel bereikt, voelt hij zich succesvol. Als iemand echter het gevoel heeft dat hij niets heeft bijgedragen, kan hij denken dat hij niets belangrijks heeft gedaan of in staat is te doen. Generativiteit is niet nodig voor volwassenen. Het ontbreken ervan kan iemand echter beroven van een groot gevoel van prestatie.

Vrouw die gelukkig lijkt

Fase 8 van psychosociale ontwikkeling: Ego-integriteit versus wanhoop (65 jaar en ouder)

In de laatste fase van psychosociale ontwikkeling kunnen mensen kiezen voor integriteit of wanhoop. We kunnen veroudering beschouwen als een opeenstapeling van verliezen die compensatie vereisen. Tegelijkertijd is er ook het gevoel dat er meer tijd voorbij is gegaan dan er nog voor ons ligt.

Als je op deze manier naar het verleden kijkt, kun je ofwel wanhoop en nostalgie creëren, of, in plaats daarvan, het gevoel hebben dat alles wat je hebt meegemaakt en bereikt de moeite waard is geweest. Deze twee opvattingen geven aan wat een persoon verwacht van het heden en van de toekomst.

Voor mensen die het gevoel hebben dat hun leven compleet is geweest, is het niet moeilijk om hun eigen verleden te verwerken. Ze bevestigen hun bestaan ​​en erkennen het belang ervan, niet alleen voor zichzelf, maar ook voor anderen.

Laatste opmerkingen

Een van de sterke punten van de psychosociale theorie is dat het een breed kader biedt dat we kunnen gebruiken om te kijken naar ontwikkeling in de loop van ons leven. Het stelt ons in staat om de nadruk te leggen op de sociale aard van mensen. Alsook op de invloed die sociale relaties hebben op onze ontwikkeling.

Je zou je echter kunnen afvragen of de fasen van psychosociale ontwikkeling van Erikson sequentieel moeten worden beschouwd. En ook of ze alleen binnen de vermelde leeftijdsgroepen voorkomen.

Er is een debat over of mensen alleen proberen hun identiteit te definiëren tijdens hun tienerjaren. En of de ene fase niet kan beginnen voordat de vorige volledig is voltooid.

Een van de zwakke punten van de psychosociale ontwikkelingstheorie van Erikson is dat het niet de exacte handelingen beschrijft die nodig zijn om conflicten op te lossen. De theorie geeft dus niet aan wat voor ervaringen er nodig zijn om door te gaan naar de volgende fase.

  • Erikson, Erik (2000). El ciclo vital completado. Barcelona: Ediciones Paidós Ibérica.
  • Erikson, Erik (1983). Infancia y sociedad. Buenos Aires: Horme-Paidós.
  • Erikson, Erik (1972). Sociedad y Adolescencia. Buenos Aires: Editorial Paidós.
  • Erikson, Erik (1968, 1974). Identidad, Juventud y Crisis. Buenos Aires: Editorial Paidós.