Wat weten we over paranoia? Is het schadelijk?

december 18, 2019
Paranoia is een ingewikkeld geestelijk en emotioneel fenomeen. De psychiatrie beschouwt het als een klein onderdeel van grotere stoornissen. Volgens de psychoanalyse is het een aandoening op zich.

Wat is paranoia precies? Vóór we die vraag zullen beantwoorden, is het de moeite waard te vermelden dat psychoanalisten en psychiaters enigszins verschillende antwoorden hebben. Het begrip verscheen voor het eerst in de psychiatrie. Aanvankelijk geloofden mensen dat het gewoon een vorm van krankzinnigheid was.

Na verloop van tijd verwierp het werkveld van de psychiatrie paranoia als een een aparte diagnose. Dit was deels het gevolg van het feit dat deskundigen het begonnen te beschouwen als slechts een onderdeel van andere geestesziekten zoals schizofrenie.

Paranoia was dus niet langer een aandoening op zich. Het werd meer een symptoom van andere stoornissen. Volgens de DSM is een waanvoorstelling de aandoening die meest op paranoia lijkt.

De psychoanalyse is een totaal ander verhaal. Sigmund Freud beschouwde het als een vorm van neurose die afkomstig was uit een obsessie. Later begon hij het te bekijken als een vorm van psychose, vooral dankzij het geval Schreber. Daarna kwam Lacan die zijn doctoraatsthesis schreef op basis van het geval Aimée, een vrouw die was genezen van paranoia.

“De paranoïde persoon vergist zich nooit volledig.”

-Sigmund Freud-

De geschiedenis van paranoia

Een beetje geschiedenis over paranoia

Gedurende een lange tijd gebruikten mensen het woord paranoia als synoniem voor waanzin. De Duitser Kahlbaum was de eerste persoon die in 1863 naar paranoia verwees als een probleem op zich. Kraft-Ebing ging in 1897 iets verder met dit begrip. Hij omschreef het als “een geestelijke vervreemding die vooral het beoordelingsvermogen en de rede beïnvloedt”.

Er waren ook nog andere pogingen om dit mentale probleem te omschrijven. De theorie van Kraepelin uit 1889 viel daarbij op. Vanaf dat moment beschouwden mensen paranoia als een soort stoornis waarbij je zonder enig ander betekenisvol symptoom waanideeën hebt.

Pas in de DSM van 1987 werd het vervangen door syndromen als ‘waanstoornis’ en ‘paranoïde persoonlijkheidsstoornis’.

Paranoia in de psychoanalyse

In zijn boek De Neuro-Psychoses van de Afweer (1894) begon Sigmund Freud over paranoia te spreken. Hij kwam echter niet tot een volledige begripsvorming. De Freudiaanse psychoanalyse richtte zich vooral op neurose. Aanvankelijk verbond Freud paranoia met projectie. Uiteindelijk trok hij geen verdere conclusies over deze stoornis.

Neisser gaf vorm aan de fundamentele manier waarop de psychoanalyse paranoia als een geestesziekte bekijkt. Hij zei dat het in wezen “een unieke manier van interpreteren” was. Een paranoïde persoon heeft het gevoel dat alles wat hij ziet en hoort op één of andere manier over hem gaat.

Jacques Lacan ging met dit begrip nog een stap verder. In een tekst uit 1958 heeft hij het over het geval Schreber van Freud. Lacan omschrijft paranoia als “het zien dat een ander het naar zijn zin heeft”.

Lacan was een cryptische schrijver. Het is niet gemakkelijk om hem te begrijpen. In eenvoudigere termen is zijn uitspraak als de leuze voor paranoia: “de Ander geniet van mij”.

Verduidelijking van het begrip paranoia

Verduidelijking van dit begrip

In de psychoanalyse is een paranoïde persoon niet alleen maar een wantrouwig persoon, zoals we vaak denken. Iemand met deze aandoening gaat vanuit twee veronderstellingen te werk.

De eerste aanname is dat een soort ‘kwaadaardig’ of ‘slecht’ ding vrijgelaten is en dat zij er het slachtoffer van zullen zijn. De tweede aanname is dat alles wat in de wereld gebeurt, met hen te maken heeft.

De paranoïde persoon interpreteert de wereld door deze twee lenzen die gebaseerd zijn op hun waanidee. Een waanidee is eigenlijk een onzinnig verhaal. Wat betreft paranoia, gaat dat verhaal over een vorm van kwaad waarvan de persoon het slachtoffer is. Bijvoorbeeld: “Kwaadaardige geesten nemen mijn hersenen over.”

In deze toestand interpreteren ze alle dingen die ze zien, door de lens van het verhaal dat hun geest tot leven gebracht heeft. Iets eenvoudig als iets verliezen, kan voor hen het bewijs zijn dat deze geesten, aliens, demonen of wat dan ook met hen spelen en hen kwellen.

Lacan heeft op dit motto gewezen“de Ander geniet van mij”. In de confrontatie hiermee hebben ze het gevoel dat ze ‘passief gemaakt zijn’. Alles wat hen overkomt, leggen ze bij die Ander: “Ik was het niet, zij waren het”. Die overtuiging en dat waanidee kan tot eenvoudige dingen leiden zoals jaloezie of tot ernstiger problemen zoals in het geval Aimée.

  • Freud, S. (1911). Puntualizaciones psicoanalíticas sobre un caso de paranoia (Dementia paranoides) descrito autobiográficamente. Obras completas, 12, 1-73.