De sociale leertheorie van Albert Bandura

· februari 20, 2019

We kennen Albert Bandura als de vader van de sociale leertheorie. Hij is één van de invloedrijkste psychologen aller tijden. Zij invloed was zo groot dat het Witte Huis hem vorig jaar tijdens een evenement een medaille geschonken heeft.

In die tijd beheerste het behaviorisme de leerpsychologie. Bandura ging echter een stap verder en formuleerde zijn sociale leertheorie. Vanaf dat moment beginnen de cognitieve en sociale processen die een rol spelen in het leren van mensen, belangrijker te worden.

Hun belang had niet alleen te maken met de verbanden tussen prikkels of bekrachtigingen die na gedragingen komen. Tot dan toe was dit het onderwerp van het behaviorisme.

“De persoon is niet langer een marionet van de onvoorziene gebeurtenissen in zijn omgeving. Om te leren zijn eerder in staat om hun persoonlijke processen een rol te laten spelen, zoals de aandacht of het denken.”

-Albert Bandura-

Toch erkende Bandura de rol van conditionering in onze omgeving. Hij besefte ook dat het een belangrijk deel van het leerproces is. Hij vond het echter niet het belangrijkste deel. De mening van Bandura is immers dat bekrachtiging alleen maar noodzakelijk is om de uitvoering te laten plaatsvinden, niet het leren zelf.

We voegen een nieuw gedrag in onze database in. Of we voeren gedragingen uit die we al hebben maar die we voordien niet konden uitvoeren. Wanneer we dit doen, moeten we rekening houden met onze innerlijke wereld. Vele van onze huidige gedragingen zijn een gevolg van imitatie of van plaatsvervangende leermodellen die niet echt belangrijk voor ons zijn.

“Wie heeft er niet geleerd om dezelfde gebaren te maken als één van zijn ouders wanneer ze een gesprek voeren of om angst te overwinnen wanneer ze gezien hebben dat hun beste vriend hiertoe in staat is?”

-Albert Bandura-

Het belang van sociaal leren volgens Albert Bandura

Het belang van sociaal leren volgens Albert Bandura

Volgens Albert Bandura zijn er drie elementen die op een wederzijdse manier met elkaar in wisselwerking treden wanneer het over leren gaat. Dit noemt men wederkerig determinisme of driehoekswederkerigheid. Deze drie elementen zijn de persoon, de omgeving en het gedrag.

De omgeving beïnvloedt dus de persoon en zijn gedrag. De persoon beïnvloedt door middel van zijn gedrag ook de omgeving. Bovendien heeft de persoon ook een invloed op het gedrag van de persoon zelf.

Mensen leren door anderen, de mensen in hun omgeving, te observeren. Ze leren dus niet alleen als gevolg van bekrachtigingen of straffen zoals de behavioristen beweren. Gewoon anderen observeren leidt tot bepaalde leereffecten in onze hersenen zonder dat rechtstreekse bekrachtiging of straf nodig zijn.

We kunnen deze effecten zien in het beroemde experiment van Albert Bandura met de Bobo-pop. Bandura heeft dit onderzoek met kinderen tussen de leeftijden van drie en vijf jaar uitgevoerd. Hij deelde hij hen daarna in twee groepen op. De ene groep kreeg een agressief model te zien en de andere groep een niet-agressief model.

Elke groep observeerde een kamer met speelgoed en een overeenkomstig model. Bij de kinderen die het agressieve gedrag zagen, was de kans groter dat ze op een agressieve manier met de pop omgingen. Dit was minder het geval bij de kinderen die het agressief gedrag niet zagen.

Dit onderzoek laat ons inzien waarom sommige mensen zich gedragen zoals ze doen. Sommige tieners groeien op in ongestructureerde gezinnen. Daar hebben ze bepaalde negatieve gedragingen gezien.

Dit kan een reden zijn waarom de tieners uitdagend gedrag vertonen. Hun omgeving heeft hen geleerd om hun referentiemodellen te imiteren. Ze hebben zich deze handelingen eigen gemaakt. Die maken nu deel uit van wie ze zijn.

Wat beïnvloedt plaatsvervangend leren?

Albert Bandura heeft ook een reeks processen toegevoegd aan de drie basiselementen die we reeds besproken hebben. Ze zijn noodzakelijk om leren door middel van observatie te laten gebeuren:

  • Aandacht. Aandacht is fundamenteel. In dit proces kunnen variabelen als de intensiteit van de prikkel, het belang, de omvang, de nieuwigheid of de regelmaat allemaal een invloed hebben. De belangrijke variabelen hebben te maken met het prestatiemodel. Hiertoe behoren het geslacht, het ras, de leeftijd en het belang dat de waarnemer eraan schenkt. Deze factoren kunnen allemaal het aandachtsproces veranderen. Wat betreft de variabelen van de situatie hebben onderzoekers gezien dat de moeilijkste opdrachten niet gekopieerd kunnen worden terwijl de gemakkelijkste aandacht verliezen.
  • Vasthouden/geheugen. Dit is een proces dat nauw verbonden is met het geheugen. Het zorgt ervoor dat de persoon het gedrag kan uitvoeren ook al is het model niet langer aanwezig. Hierbij spelen het verband van wat men waarneemt, met voordien gekende elementen, samen met de cognitieve praktijk of de beoordeling van wat geleerd is, een rol. Ze kunnen namelijk helpen om het vasthoudend vermogen te bewaren.
  • Aanvang/motor. Dit is de overgang van de kennis van beelden, symbolen of abstracte regels naar concrete en waarneembare gedragingen. Om dit te laten gebeuren moet de persoon de basisvaardigheden bezitten om het gedrag uit te voeren. Ze moeten dus al in hun gedragsrepertoire de basiselementen van het gedrag bezitten.
  • Motivatie. Dit is nog een ander belangrijk proces voor de uitvoering van het geleerde gedrag. De functionele waarde van het gedrag kan er dus voor zorgen dat iemand het al of niet uitvoert. Deze waarde is afhankelijk van rechtstreekse, plaatsvervangende, zelf gecreëerde of intrinsieke aansporingen.
De effecten van aanschouwelijk leren

Wat zijn de effecten van observerend leren?

Er zijn drie verschillende soorten effecten die kunnen optreden wanneer we het gedrag van het model observeren. Dat zijn het verwervingseffect, het remmend of ontmoedigend effect en de vergemakkelijking.

  • Het effect van het verwerving van nieuwe gedragingen. De persoon verwerft nieuwe vaardigheden en gedragingen dankzij de imitatie en de noodzakelijke regels om ze af te werken. Ze ontwikkelen ook nieuwe gedragingen die in dezelfde lijn van handelen liggen. Verworven gedragingen zijn niet alleen motorische vaardigheden maar ook emotionele reacties.
  • Het remmend en ontmoedigend effect. Als het vorige effect de verwerving van nieuwe gedragingen gecreëerd heeft, dan bevordert het de remming of ontmoediging van bestaande gedragingen. Dit gebeurt door middel van veranderen in de motivatie. Bij deze variabele speelt de waarneming van het eigen vermogen van de persoon een rol.
  • Het vergemakkelijkend effect. Tenslotte is er dit effect dat verwijst naar het gemak dat observerend leren verschaft om bestaande en  niet afgeremde gedragingen uit te voeren.

We hebben vele van onze gedragingen door middel van imitatie verworven. Het is waar dat ook de genetica een belangrijke rol speelt in hoe we handelen. Toch hebben de modellen en de omgeving om ons heen zelfs nog een grotere invloed op ons.

De karaktertrek verlegen zijn, trager of sneller praten, onze gebaren, onze agressiviteit, een vorm van fobie hebben zijn allemaal gedeeltelijk aangeleerd door middel van modellen.

De sociale leertheorie van Albert Bandura heeft niet alleen geholpen om te begrijpen waarom mensen zich op een bepaalde manier gedragen. Het behandelt ook die gedragingen die we als onaangepast beschouwen. Hierbij maakt het gebruik van het observeren van nieuwe modellen.