De wet van Yerkes-Dodson: prestatie en stressniveau

april 4, 2019
De wet van Yerkes-Dodson suggereert dat er een directe relatie is tussen prestatie en stressniveau. Het beweert dat een hoog stressniveau iemands prestaties uiteindelijk tot op zekere hoogte kan verbeteren.

De wet van Yerkes-Dodson suggereert dat er een directe relatie is tussen prestatie en stressniveau. Psychologen Robert M. Yerkes en John Dillingham Dodson ontwikkelden deze wet in 1908.

Deze wet beweert dat iemands prestaties bij lichamelijke of mentale stress verbeteren, maar slechts tot op zekere hoogte. Wanneer het stressniveau te hoog wordt, neemt zijn prestatievermogen juist weer af.

De wet van Yerkes-Dodson stelt dat we ons stressniveau en onze prestaties het beste kunnen verbeteren door te werken aan taken die ervoor zorgen dat we alert blijven.

Tijdens hun experiment ontdekten Yerkes en Dodson dat elektrische schokken ratten kunnen motiveren om een ​​doolhof te voltooien. Op het moment dat ze te veel schokken kregen, nam hun prestatieniveau echter af en probeerden ze gewoon te ontsnappen.

Het experiment toonde dus aan dat stress kan helpen om de aandacht op een bepaalde taak te richten, maar slechts binnen bepaalde grenzen.

Hoe de wet van Yerkes-Dodson werkt

Een goed voorbeeld van hoe de wet van Yerkes-Dodson werkt, is de angst die je ervaart voor een belangrijk tentamen. Een optimaal stressniveau kan je helpen om je op je tentamen te focussen en informatie te onthouden.

Te veel angst zal echter een negatieve invloed hebben op je concentratievermogen, wat op zijn beurt je vermogen om informatie te onthouden belemmert.

Nog een goed voorbeeld van hoe de wet van Yerkes-Dodson werkt, is een sportprestatie. Wanneer een atleet op het punt staat een belangrijke actie te maken, kan een ideaal stressniveau (een goede dosis adrenaline) zijn prestatie verbeteren.

Het kan hem dan hem helpen om de actie goed uit te voeren. Als de atleet echter te gestrest is, kan dit zijn vermogen om te presteren juist erg in de weg zitten.

Het is dus belangrijk om te bepalen wat een optimaal stressniveau zou zijn. Dit is echter lastiger dan je zou denken. Het optimale stressniveau verschilt namelijk van taak tot taak.

Man staat op het punt te gaan rennen

Het is bijvoorbeeld bekend dat ons prestatievermogen afneemt wanneer er sprake is van een laag activeringsniveau. Dit betekent dat als je een relatief eenvoudige taak uitvoert, je een veel hoger bereik aan activeringsniveaus kunt beheren.

De kans dat eenvoudige taken, zoals het maken van kopieën of huishoudelijk werk, worden beïnvloed door zeer lage of zeer hoge activeringsniveaus is namelijk een stuk kleiner. Als het gaat om iets ingewikkeldere taken, dan wordt je prestatievermogen echter wel beïnvloed door een laag of hoog activeringsniveau.

Als iemands stressniveau te laag is, dan kan hij het gevoel hebben dat het hem ontbreekt aan de nodige energie om de taak uit te voeren. Een zeer hoog stressniveau kan echter net zo problematisch zijn en zelfs leiden tot een gebrek aan concentratie.

Het omgekeerde-U-model

Wat Yerkes en Dodson beschrijven, wordt vaak grafisch weergegeven als een kromme lijn die omhoog gaat en vervolgens weer daalt bij een hoog of laag stressniveau. Dit verklaart waarom veel mensen de wet van Yerkes-Dodson ook wel kennen als het omgekeerde-U-model.

Vanwege de invloed die verschillende taken hebben op ons stressniveau, kan de vorm van de lijn variëren. Voor eenvoudige taken of taken die we al onder de knie hebben is de relatie monotoon en verbetert de prestatie naarmate de stress toeneemt.

Voor ingewikkelde, onbekende of moeilijke taken is er echter een punt waarop de relatie tussen stress en prestatie omkeert. Dit betekent dat het prestatievermogen afneemt naarmate het stressniveau toeneemt.

De wet van yerkes-dodson

Aan de ene kant vertegenwoordigt het opwaartse deel van de omgekeerde U het stimulerende effect dat stress kan hebben. Aan de andere kant leidt het negatieve effect dat stress (of opwinding) kan hebben op cognitieve processen zoals aandacht, geheugen en het oplossen van problemen tot het neerwaartse deel ervan.

Volgens het omgekeerde-U-model kan een individu door middel van een gemiddeld stressniveau optimale prestaties bereiken. Wanneer een individu echter te veel of te weinig stress ervaart, neemt zijn prestatie af. In sommige gevallen kan deze afname zelfs zeer extreem zijn.

Aan de linkerkant van de grafiek zien we wat er gebeurt als iemand niet wordt uitgedaagd, geen reden ziet om ergens hard aan te werken of de taak op een zorgeloze of ongemotiveerde manier benadert.

Het middelste deel van de grafiek laat zien wat er gebeurt wanneer een persoon een taak zo efficiënt mogelijk benadert, wanneer hij gemotiveerd is om zijn best te doen, maar niet het gevoel heeft dat hij bezwijkt onder de druk. De rechterkant van de grafiek laat zien wat er gebeurt wanneer de stress hem te veel wordt, en hij zich simpelweg overweldigd voelt.

De vier factoren die van invloed zijn

Het omgekeerde-U-model is voor elk individu verschillend, afhankelijk van de situatie. In feite zijn er vier factoren die de vorm van de lijn kunnen beïnvloeden: vaardigheidsniveau, persoonlijkheid, angst en de complexiteit van de taak.

Het vaardigheidsniveau van het individu beïnvloedt ook zijn prestaties in de betreffende taak. Een goed opgeleide persoon die geloofd in zijn of haar capaciteiten zal beter in staat zijn om te gaan met stressvolle situaties. Hij kan namelijk vertrouwen op de antwoorden die hij geleerd heeft.

Daarnaast speelt de persoonlijkheid van het individu ook een grote rol in de manier waarop hij omgaat met druk. Psychologen zijn van mening dat extraverte mensen beter kunnen omgaan met druk dan introverte mensen. Op basis hiervan zou je er dus van uit kunnen gaan dat introverte mensen beter presteren onder een laag stressniveau.

Wat de mate van angst betreft, heeft iemands zelfvertrouwen ook invloed op de manier waarop hij met elke situatie omgaat. Een zelfverzekerde persoon zal zich beter staande kunnen houden in stressvolle situaties. Hij zal namelijk minder twijfelen aan zijn eigen capaciteiten dan een onzekere persoon.

Tot slot wordt het prestatievermogen van het individu ook beïnvloedt door de complexiteit van de taak die hij moet uitvoeren. Het maken van kopieën is niet zo moeilijk als het schrijven van een essay of klinisch rapport. De complexiteit van een taak varieert echter van persoon tot persoon.

Man is gemotiveerd de top te bereiken

Laatste opmerkingen over de wet van Yerkes-Dodson

Hoewel de wet van Yerkes-Dodson al meer dan een eeuw oud is, is deze vandaag de dag nog steeds nuttig. Sterker nog, de wet wordt nog steeds bestudeerd, vooral op het gebied van werk- en sportprestaties.

Onderzoeken uitgevoerd tussen 1950 en 1980 bevestigden dat er een correlatie bestaat tussen hoge stressniveaus en een verhoogde motivatie en focus. Aan de hand van die onderzoeken kon echter niet de exacte oorzaak hiervan worden vastgesteld.

In 2007 suggereerden onderzoekers dat deze correlatie gerelateerd is aan de productie van stresshormonen door de hersenen die, gemeten tijdens geheugenprestatietests, een curve vertoonde die vergelijkbaar is met de wet van Yerkes-Dodson.

Bovendien toonde deze studie een positieve correlatie aan tussen een goed geheugen en prestaties. Dit suggereert dat stresshormonen ook verantwoordelijk kunnen zijn voor het Yerkes-Dodson-effect.

  • Anderson, K., Revelle, W., & Lynch, M. (1989). Caffeine, impulsivity, and memory scanning: A comparison of two explanations for the Yerkes-Dodson Effect. Motivation And Emotion13(1), 1-20. doi: 10.1007/bf00995541
  • Broadhurst, P. (1957). Emotionality and the Yerkes-Dodson Law. Journal Of Experimental Psychology54(5), 345-352. doi: 10.1037/h0049114
  • Lupien, S., Maheu, F., Tu, M., Fiocco, A., & Schramek, T. (2007). The effects of stress and stress hormones on human cognition: Implications for the field of brain and cognition. Brain And Cognition65(3), 209-237. doi: 10.1016/j.bandc.2007.02.007
  • Yerkes RM y Dodson JD (1908). “The relation of strength of stimulus to rapidity of habit-formation”. Journal of Comparative Neurology and Psychology. 18: 459–482. doi:10.1002/cne.920180503.