De neurobiologie van menselijke gehechtheid

november 18, 2019
De banden die je in de loop van je leven met andere mensen vormt, zijn transformerend. Positieve banden die je later in je leven vormt, hebben de potentie om schade die je door ongezonde gehechtheid al vroeg in je leven hebt geleden, te herstellen.

Gehechtheid is een karakteristiek kenmerk van zoogdieren. Het onderzoek naar de neurobiologie van de menselijke gehechtheid is daarom ook gebaseerd op dierproeven. Recent onderzoek suggereert dat gehechtheid gebaseerd is op de interactie van oxytocine en dopamine in het corpus striatum.

Wat vrij zeker lijkt te zijn, is dat verschillende soorten menselijke gehechtheid de neurobiologie delen als het gaat om de gehechtheid waarop ze gebaseerd zijn. Over het algemeen worden ze gekenmerkt door de synchroniciteit tussen gedrag, en de integratie van de corticale en subcorticale netwerken die betrokken zijn bij:

  • belonings- en motivatiemechanismen
  • geïntegreerde simulatie
  • mentalisering

De neurobiologie van menselijke gehechtheid

Volgens Ruth Feldman, een onderzoeker op het gebied van de neurobiologie van menselijke gehechtheid, moeten we gehechtheid bij zoogdieren bestuderen vanuit een ontwikkelingsperspectief. Zo is de associatieve cerebrale cortex verbonden door vroege ervaringen bij kinderen van twee tot vier jaar.

De latere gehechtheden, zoals romantische partners of goede vrienden, hergebruiken basismechanismen. Deze zijn tijdens de aanvankelijke gehechtheid tussen moeder en kind in de vroege gevoelige periodes tot stand gekomen.

Onderzoekers definiëren deze gevoelige periodes als vroege, specifieke momenten, waarin de hersenen bepaalde bijdragen uit de omgeving ervaren om zich goed te kunnen ontwikkelen. In de context van gehechtheid gaat het hierbij om het typische opvoedingsgedrag van de soort.

Een moeder houdt het handje van een baby vast

Neurobiologische voorstellen voor menselijke gehechtheid

In haar onderzoek bracht Dr. Feldman verschillende voorstellen over de neurobiologie van menselijke gehechtheid samen:

  • Het onderzoek naar menselijke gehechtheid moet dus een ontwikkelingsperspectief volgen. Zo zouden neurobiologische systemen de band tussen twee zoogdieren ondersteunen. De moeder en haar kinderen vormen deze relatie tijdens de vroege gevoelige periodes van het leven (6).
  • De continuïteit in neurobiologische systemen ondersteunt de menselijke verbinding. Menselijke gehechtheid hergebruikt de basismechanismen die door de ouder-kindband zijn opgebouwd, om andere gehechtheden te vormen gedurende het hele leven. Hierbij bedoelen we dan romantische relaties of hechte vriendschappen (7).
  • Menselijke banden zijn selectief en duurzaam. Verbindingen zijn het doel van gehechtheid en kunnen je hele leven lang meegaan (1).
  • Gehechtheid is gebaseerd op gedrag dat wordt veroorzaakt door de uitdrukking van gedragspatronen, die specifiek zijn voor een soort, maatschappij of individu. Verbinding omvat top-down processen. Gedrag gerelateerd aan gehechtheid activeert de hersenen en ook de neuro-endocriene systemen (4, 8).
  • De synchroniciteit van biologisch gedrag is een belangrijk kenmerk van menselijke gehechtheid. Het verband tussen non-verbaal gedrag en de gecoördineerde fysiologische reactie tussen twee individuen tijdens sociaal contact, zijn dus kenmerkend voor menselijke gehechtheid (9).
  • Ook betrokken bij het menselijk moederschap zijn de centrale rol van het oxytocinesysteem en de dopamine-oxytocineverbinding. Ze hebben ook te maken met vaderschap, co-ouderschap, romantische gehechtheid en nauwe vriendschap. De integratie van oxytocine en dopamine in het corpus striatum doordrenkt gehechtheid met motivatie en vitaliteit (10).
Een moeder omhelst haar dochter

Overige theorieën

  • Het vormen van bindingen impliceert een grotere activiteit en een striktere interferentie tussen de relevante systemen. Tijdens perioden van gehechtheidsvorming zie je dan ook de nauwste relaties tussen de systemen die de verbondenheid, beloning en stressmanagement ondersteunen (11).
  • Menselijke gehechtheid bevordert de homeostase, gezondheid en welzijn. Sociale gehechtheid verbetert ook gezondheid en geluk. Sociaal isolement daarentegen verhoogt de stress, is schadelijk voor de gezondheid en kan de dood tot gevolg hebben (12).
  • Bevestigingspatronen verschuiven van de ene generatie naar de volgende. Gedragspatronen die je in je vroege leven ervaart, verzorgen de beschikbaarheid van oxytocine en de lokalisatie van de receptor in de hersenen van een baby. Het programmeert dus eigenlijk het vermogen om de volgende generatie (13, 14) op te voeden.
  • De moeder-kindgehechtheid en de nabijheid van de moeder vormen het orgaan van de hersenen. Hierdoor kan het functioneren binnen de sociale ecologie. De onvolwassen hersenen van een babyzoogdier en de noodzaak om dicht bij een moeder te zijn, die de hersenen de borst geeft als een orgaan dat voortdurend reageert op de sociale omgeving (15).
  • De banden die je in de loop van je leven ervaart, zijn transformerend. Gezonde banden die je later in je leven vormt, kunnen negatieve relaties uit je eerste jaren daadwerkelijk herstellen. De plasticiteit van het menselijk brein en het feit dat de aard ervan gebaseerd is op gedrag, maakt het mogelijk om latere gehechtheid te gebruiken om de neurale netwerken daadwerkelijk te reorganiseren. Ook kunnen de vroege negatieve ervaringen hersteld worden, althans gedeeltelijk (16).

Tot slot

Het lijkt erop dat de basis van de neurobiologie van de menselijke gehechtheid, de interacties tussen oxytocine en dopamine in de hersenen is. Het lijkt er ook op dat deze cerebrale systemen zich vormen tijdens de gehechtheid als baby.

Het is dus interessant om te weten dat deze systemen later worden hergebruikt om andere gehechtheden te vormen, zoals vriendschap of liefde.

  1. Feldman, R. (2017). The neurobiology of human attachments. Trends in Cognitive Sciences, 21(2), 80-99.
  2. Rilling, J. K. (2014). Comparative primate neuroimaging: insights into human brain evolution. Trends in cognitive sciences, 18(1), 46-55.
  3. Kundakovic, M., & Champagne, F. A. (2015). Early-life experience, epigenetics, and the developing brain. Neuropsychopharmacology, 40(1), 141.
  4. Feldman, R. (2015). The adaptive human parental brain: implications for children’s social development. Trends in neurosciences, 38(6), 387-399.
  5. Feldman, R. (2015). Sensitive periods in human social development: New insights from research on oxytocin, synchrony, and high-risk parenting. Development and Psychopathology, 27(2), 369-395.
  6. Carter, C. S. (2014). Oxytocin pathways and the evolution of human behavior. Annual review of psychology, 65, 17-39.
  7. Feldman, R. (2016). The neurobiology of mammalian parenting and the biosocial context of human caregiving. Hormones and Behavior, 77, 3-17.
  8. Feldman, R. (2012). Oxytocin and social affiliation in humans. Hormones and behavior, 61(3), 380-391.
  9. Feldman, R. (2012). Bio-behavioral synchrony: A model for integrating biological and microsocial behavioral processes in the study of parenting. Parenting, 12(2-3), 154-164.
  10. Love, T. M. (2014). Oxytocin, motivation and the role of dopamine. Pharmacology Biochemistry and Behavior, 119, 49-60.
  11. Ulmer-Yaniv, A., Avitsur, R., Kanat-Maymon, Y., Schneiderman, I., Zagoory-Sharon, O., & Feldman, R. (2016). Affiliation, reward, and immune biomarkers coalesce to support social synchrony during periods of bond formation in humans. Brain, behavior, and immunity, 56, 130-139.
  12. Cacioppo, J. T., Cacioppo, S., Capitanio, J. P., & Cole, S. W. (2015). The neuroendocrinology of social isolation. Annual review of psychology, 66, 733-767.
  13. Weaver, I. C., Cervoni, N., Champagne, F. A., D’Alessio, A. C., Sharma, S., Seckl, J. R., … & Meaney, M. J. (2004). Epigenetic programming by maternal behavior. Nature neuroscience, 7(8), 847.
  14. Feldman, R. (2007). Mother‐infant synchrony and the development of moral orientation in childhood and adolescence: Direct and indirect mechanisms of developmental continuity. American Journal of Orthopsychiatry, 77(4), 582-597.
  15. Akers, K. G., Yang, Z., DelVecchio, D. P., Reeb, B. C., Romeo, R. D., McEwen, B. S., & Tang, A. C. (2008). Social competitiveness and plasticity of neuroendocrine function in old age: influence of neonatal novelty exposure and maternal care reliability. PloS one, 3(7), e2840.
  16. Schore, A. N. (2013). Relational trauma, brain development, and dissociation. Treating complex traumatic stress disorders in children and adolescents: Scientific foundations and therapeutic models, 3-23.