De levensfasen van de mens volgens Erikson

· juli 23, 2018

Van tijd tot tijd hebben we gezien hoe ontwikkelingspsychologie zich heeft geconcentreerd op het bestuderen van specifieke aspecten, zoals de uiting van symbolische capaciteit of opvoedingsstijlen. Het bestuderen van ontwikkeling vanuit een globaal perspectief kan echter zeer interessante inzichten opleveren. Het kennen van de levensfasen van een individu, van geboorte tot aan de dood, helpt ons hun leven te begrijpen. Dit is dan ook waar de theorie van de levensfasen van Erikson goed van pas komt.

Erik Erikson werd dankzij zijn theorie een van de voorlopers van het onderzoek naar de levensloop van de mens. Zijn werk is erg uitgebreid en behandelt veel onderwerpen. Zijn theorie van psychosociale ontwikkeling is echter zijn meest bekende model. Hij beschreef 8 stadia die elk een verandering of evolutie van de persoonlijke identiteit veronderstellen gedurende de levensloop. In dit artikel zullen we in het kort iedere fase van zijn theorie uitleggen.

De theorie van Erikson over de levensfasen van de mens bevat 8 stadia die tijdens die veranderingen in persoonlijke identiteit representeren.
Eriksons levensfasen

De acht levensfasen volgens Erikson

De belangrijkste eigenschap van de fases die Erikson beschrijft is allereerst hun bipolariteit. Iedere fase is gevormd door twee polen – een positieve en een negatieve. Een persoon moet deze sociale polen onder ogen zien. Om zich zo aan te kunnen passen aan hun context en een gezonde identiteit te ontwikkelen. Elke fase is een crisis die iedere persoon moet overwinnen om verder te komen in zijn levensloop.

Vertrouwen versus wantrouwen

Dit is de eerste fase van de levensloop, van 0 tot 10 jaar oud. In deze fase moet de baby een houding van vertrouwen tegenover de ouders ontwikkelen. Als het kind stabiele zorg ontvangt, zal hij gaan geloven dat ondanks moeilijkheden, het altijd wel goed zal komen. Deze fase volbrengen betekent anderen vertrouwen in het licht van de ‘onzekerheid’ die het onbekende kan voortbrengen.

Autonomie versus schaamte en twijfel

Dit is de tweede fase van de levensloop, die begint rond het tweede of derde levensjaar. Op deze leeftijd is het kind gedwongen stappen te nemen richting zijn autonomie. Hij zal leren om zelf te eten, zich aan te kleden en zich tegen zijn ouders af te zetten. Hij moet echter zijn verlangen naar autonomie verenigen met de sociale normen die zijn ouders opleggen.

Als kinderen zelfstandig activiteiten gaan uitvoeren kunnen ze zich afvragen of ze wel in staat zijn deze dingen alleen te doen. Maar succesvolle aanpassing bestaat ook uit het transformeren van deze onzekerheid naar een uitdaging die het kind juist motiveert, binnen de kaders die de maatschappij oplegt.

 

Jongen achter glas

Initiatief versus schuld

Dit is de derde van Eriksons levensfasen, en deze vindt plaats tussen het derde en zesde levensjaar. Het kind neemt het initiatief om persoonlijke doelen te behalen. Maar ze zullen niet altijd in staat zijn dit te doen. Want in dit proces zullen ze vaak tegen de wensen van anderen aanlopen. Ze moeten leren hun doelen achterna te jagen en daardoor een gevoel van richting te vinden.

Vlijt vs. minderwaardigheid

Dit is de vierde fase in de levensloop, en deze crisis doet zich voor tussen de zeven en twaalf jaar oud. Het kind moet leren culturele middelen te gebruiken terwijl hij zich vergelijkt met leeftijdsgenoten. Het is essentieel om te beginnen met samen te werken of te spelen met hun klasgenoten.

De maatschappij geeft ons methoden en een cultuur van samenwerking die het individu moet begrijpen om competent en succesvol te zijn. Als dit echter niet ontwikkeld wordt, kan dit leiden tot een gevoel van minderwaardigheid.

Identiteit versus rolverwarring

Dit is het vijfde stadium in de levensloop, die zich voordoet tijdens de adolescentie. De adolescent ondergaat een reeks lichamelijke veranderingen en er lijken zich nieuwe sociale eisen voor te doen. Dit zorgt voor verwarring over hun rollen en zelfbeeld.

Daarom moet het individu zich toewijden aan ideologische, professionele en persoonlijke idealen. Hiermee kan de ontwikkeling van een identiteit tot stand komen. Gebaseerd op het werk van Erikson ontwikkelde James Marcia ook een theorie over de ontwikkeling van de adolescente identiteit.

mother discussing stages of life

Intimiteit versus isolatie

Dit is de zesde fase van Eriksons model, die begint tijdens de vroege volwassenheid. Een persoon moet allereerst geworteld zijn in zijn identiteit om zich met andere mensen te kunnen verbinden. Hij moet banden aangaan met ‘de rest van de individuen’ om een samensmelting van identiteiten te bereiken en tegelijkertijd zijn persoonlijke identiteit te handhaven. Deze fase volbrengen betekent dat je verschillende soorten relaties kunt hebben in plaats van sociaal geïsoleerd te zijn.

Generativiteit versus stagnatie

De zevende en op een na laatste fase bestrijkt een groot deel van het volwassen leven. Naast identiteit en intimiteit moet een persoon ook engageren met anderen. Met hun werk en met hun kinderen, om zo een productief leven te leiden. De behoefte van een volwassene om een productief leven te leiden beschermt hem tegen stagnatie. Bovendien helpt het hem zijn doelen en intenties na te streven.

Integriteit versus wanhoop

De laatste fase van de globale ontwikkeling van de mens vindt plaats tijdens de late volwassenheid of op latere leeftijd. Om tevreden te zijn over het leven moet een individu terugkijken en het eens zijn met de beslissingen die hij heeft gemaakt. Een positieve waardering van doelen en beslissingen zorgt voor integriteit, wat een betekenisvol en compleet zelfbeeld schept. Een negatief beeld van het eigen leven zorgt daarentegen voor gevoelens van wanhoop en impotentie.