Castratieangst volgens de psychoanalyse

· november 22, 2018

Castratieangst is één van de kernbegrippen in de psychoanalyse. Dit begrip is heel sterk verbonden met het meer bekende Oedipuscomplex. De persoon die voor het eerst dit begrip vermeldde, was de vader zelf van de psychoanalyse, Sigmund Freud.

Ook andere psychoanalisten hebben op dit vlak interessante ontwikkelingen doorgevoerd, zoals bijvoorbeeld Jacques Lacan. We zullen ons in dit artikel echter focussen op het perspectief vanuit de oorspronkelijke theorie.

Uiteraard heeft castratieangst niets te maken met de letterlijke verminking van de genitaliën van iemand. Het is eigenlijk een heel intense geestelijke ervaring die je voor het eerst tussen de leeftijd van 3 en 5 jaar zou doormaken.

Deze onbewuste ervaring treedt dan op verschillende tijdstippen in je leven steeds weer opnieuw op. Meestal gebeurt dit op momenten waarop jouw verdedigingsmechanismen geactiveerd worden.

“Een mens moet er niet naar streven om een eind te maken aan zijn complexen maar hij moet ermee in overeenstemming komen: ze zijn terecht wat zijn gedrag in de wereld een richting geeft.”

-Sigmund Freud-

Castratieangst treedt even vaak op bij jongens als bij meisjes. De twee geslachten ervaren het echter op een verschillende manier. Het is door middel van deze geestelijke ervaring dat een kind een onderscheid tussen de geslachten leert maken. Het is ook hier dat het zijn eerste ontmoeting heeft met het begrip van onmogelijke verlangens.

Castratieangst bij mannen

In 1908 heeft Freud voor de eerste keer van castratieangst bij jongens gesproken. Hij beschreef het in zijn gevalstudie van ‘Kleine Hans’. Hij heeft het over hoe dit mentale proces op vier verschillende momenten of in vier stadia plaatsvindt tot het een oplossing bereikt.

Castratieangst bij mannen

Dit zijn de vier verschillende stadia waarover Freud sprak:

  • Het aanvankelijke idee. De jongen beseft dat hij een penis heeft. Hij ontwikkelt het idee dat “iedereen een penis heeft.”
  • De bedreiging of het tweede stadium. Als gevolg van het Oedipuscomplex wil de jongen de plaats van zijn vader innemen in de rol tegenover de moeder. Hij doet dingen die dit openlijk aantonen. Hij vertoont ook tekenen van auto-erotiek. De jongen krijgt om deze reden waarschuwingen en wordt op het matje geroepen. Dit brengt hem bij het onbewuste besluit dat zijn mogelijke straf castratie zal zijn als hij zijn gedrag niet verandert.
  • Het derde stadium of de ontdekking van het gemis. De jongen ontdekt dat de vrouwelijke anatomie anders is. Vrouwen hebben geen penis. Hij gaat er echter niet van uit dat ze een vagina hebben. Hij neemt aan dat hun penis hen afgenomen is. Dit idee verbindt hij met zijn denkbeeldige bedreigingen. Hij denkt dat het missen van een penis hetzelfde is als castratie.
  • Het vierde stadium, angst. De jongen komt tot het besef dat zijn moeder een vrouw is. Dit betekent dat ze geen penis heeft. Dit zorgt ervoor dat hij angstgevoelens ervaart over het feit van gecastreerd te worden. Deze angst ervaart hij alleen maar op een onbewuste manier.

De oplossing

Zodra de jongen die vier stadia doorlopen heeft, blijft er nog één stadium over: de oplossing. Dit geldt zowel voor zijn castratieangst als voor zijn Oedipuscomplex. Het doet zich voor wanneer de jongen weigert om bij zijn moeder de plaats van zijn vader in te nemen.

Hij wijst dus in feite zijn moeder af en past zich aan de vaderlijke kant van de dingen aan. Hij doet dit specifiek om zijn castratieangst op te lossen. Onbewust gaat hij ervan uit dat hij zijn penis zou verliezen als ermee doorging.

Het castratiecomplex bij meisjes

Castratieangst bij meisjes bevat enkele gemeenschappelijk aspecten met wat jongens ervaren. De eerste gelijkenis is dat ook meisjes aanvankelijk het idee hebben dat iedereen een penis heeft. Uiteraard is hun moeder enorm belangrijk voor hen. Zij is het centrum van hun liefde. Vanaf dat punt volgt het proces echter een andere weg.

Het castratiecomplex bij meisjes

Dit zijn de verschillen op basis van de stadia:

  • Het aanvankelijke idee. Meisjes blijven denken dat iedereen een penis heeft. In dit geval denkt het meisje dat haar clitoris een penis is.
  • De ontdekking van het verschil. Het meisje stelt vast dat haar clitoris te klein is om een penis te zijn. Dit zorgt ervoor dat ze aanneemt dat ze gecastreerd is. Ze wenst dat het niet gebeurd was.
  • Het derde stadium. Het meisje beseft dat haar moeder ook geen penis heeft. Ze beschuldigt haar moeder van het feit dat ze geen penis heeft, net alsof haar moeder haar eigen gebrek aan een penis aan het meisje doorgegeven had.

De oplossing

De oplossing van de castratieangst bij meisjes kan verschillende richtingen opgaan. De eerste richting is die van aanvaarding. Ze aanvaardt dat ze geen penis heeft en neemt afstand van seksualiteit.

De tweede richting is dat ze blijft wensen dat ze een penis had. Freud zag dit als een ontkenning van de castratie. Hij dacht dat het tot homoseksualiteit leidde.

De derde richting is de meest omvattende oplossing van de castratieangst. Het meisje aanvaardt dat ze geen penis heeft. Haar moeder is niet langer het middelpunt van haar genegenheid. Ze richt haar liefde daarentegen op haar vader. Dit leidt ook tot een heroriëntering van het libido.

Het verlangen naar een penis wordt een verlangen om seks te hebben met iemand die een penis heeft. Ten slotte verandert het verlangen om seks te hebben met iemand met een penis in het verlangen om een kind te hebben.