Zelfconcept: de origine en definitie

· september 18, 2018

We kunnen zelfconcept (of zelfbeeld) zien als het idee of beeld dat we van onszelf hebben. Het wordt gevormd en geconditioneerd door de vele rollen die we in ons leven aannemen, onze doelen en doelstellingen, onze persoonlijkheid, onze ideologie en onze filosofie, om maar wat te noemen. Het is ook dynamisch, wat wil zeggen dat het verandert.

Onszelf kennen helpt ons te beslissen wat en hoe we moeten denken en doen in verschillende situaties. Deze kennis van onszelf kan individueel of groepsidentiteit zijn. Ons bewustzijn van onze identiteit en die van anderen maakt ons leven en onze relaties makkelijker.

In de psychologie kun je zelfconcept vanuit verschillende perspectieven bestuderen. Persoonlijkheidspsychologen zullen zich richten op het kennen van de inhoud van de identiteit, zodat ze er typologieën van kunnen maken. Sociale psychologen willen kijken in welk opzicht het onze relaties beïnvloedt, en omgekeerd.

Hoe wordt zelfconcept gevormd en aangepast?

We zullen het nu hebben over twee theorieën die uitleggen hoe zelfconcept wordt gecreëerd en ontwikkeld. Een daarvan is de self-discrepancy theory (de zelfdiscrepantietheorie) die zich richt op interne regulatie. De andere is de looking glass-self (spiegelbeeldzelf) die zich richt op sociale regulatie.

Vrouw kijkt naar reflectie in spiegel

De self-discrepancy theory

Deze theorie is gebaseerd op de wens van een persoon om samenhang te vinden tussen de verschillende percepties die hij van zichzelf heeft. Hierbij spelen ook andere zelfconcepten een rol.

Dit zijn:

  • De ideale zelf: Dit is het zelfconcept dat ons vertelt wie we willen zijn.
  • Het verantwoordelijke egoHet zelfconcept dat een idee heeft wat we zouden moeten zijn.
  • De potentiële zelf: Het zelfbeeld van ons potentieel, wat we zouden kunnen zijn.
  • De verwachte zelf: Het zelfconcept dat voorspelt wat we kunnen worden in de toekomst.

Deze zelfconcepten lijken op elkaar. Ze zijn alleen verschillend in kleine nuanceringen. Het belangrijke van deze beelden van de zelf is dat ze tegenstrijdigheden veroorzaken binnen ons huidige zelfconcept.

Als een van hen niet overeenkomt met ons huidige zelfbeeld, ervaren we angstgevoelens. Vanaf dat moment veroorzaakt die angst veranderingen in het zelfbeeld om te proberen de tegenstrijdigheid op te lossen.

Als we bijvoorbeeld onze ideale zelf zien als actief figuur in de gemeenschap, maar in werkelijkheid zijn we vrij egoïstisch, zal er tegenstrijdigheid ontstaan. We kunnen dit op verschillende manieren oplossen:

  • Ons egoïstische gedrag aanpassen en daardoor ook ons huidige zelfconcept.
  • Het beeld van ons gedrag aanpassen, waardoor we het niet langer als egoïstisch zien en op die manier ons huidige zelfbeeld veranderen.
  • Ons ideaal veranderen, waarbij we het aanpassen aan ons huidige zelfconcept.

De looking glass-self theory

Bij deze theorie ontwikkeld door Charles Cooley speelt de omgeving een belangrijke rol in de vorming van ons zelfconcept. De ideeën die anderen over ons hebben wegen erg zwaar. We creëren het idee van wie we zijn door middel van de informatie die anderen ons geven over onszelf.

Dit komt doordat we denken dat anderen een bepaald idee hebben van wie we zijn. We willen erachter proberen te komen wat dat idee is. We willen geen tegenstrijdigheid tussen het idee dat anderen van ons hebben en ons eigen zelfconcept. Als die tegenstrijdigheid ontstaat, kunnen we het op twee manieren oplossen.

  • Door onze relaties met anderen te veranderen als ze ons niet zien zoals wij denken dat we zijn.
  • Door het idee dat we van onszelf hebben te veranderen.
Papieren poppetjes in een kring

Deze theorie legt goed uit waarom we relaties zoeken die overeenkomen met ons zelfconcept en mensen vermijden die ons niet op de manier zien zoals wij denken dat we zijn. Het helpt ons ook de effecten die verwachtingen op een persoon hebben te begrijpen, zoals het Pygmalion-effect.

Een belangrijk aspect is dat we onszelf niet zien zoals anderen ons echt zien, maar zoals we denken dat ze ons zien. We bepalen hoe anderen ons zien aan de hand van onze eigen zelfperceptie, en niet van de informatie die we van hen ontvangen. We creëren een idee van onszelf, en we denken dat anderen ons ook op die manier zien.

Beide theorieën leggen uit hoe het zelfconcept wordt gevormd en aangepast op verschillende, maar geen tegenstrijdige, manieren. Het is interessant om er vanuit een breed perspectief naar te kijken, en om te leren begrijpen hoe de “zelven”uit de self-discrepancy theory ook gecreëerd en aangepast kunnen worden door sociale invloeden.

Door deze twee posities te bekijken, krijgen we een goed beeld van het zelfbeeld.