Ik heb het recht om mijn demonen te confronteren

· september 5, 2016

Ik heb het recht om verdrietig te zijn, om mezelf slecht te voelen wanneer iets niet eerlijk is of als iets niet goed gaat. Ik behoud dit recht, omdat wanneer ik dit niet doe, ik veel druk op mezelf leg en depressief wordt. Dit zijn mijn demonen en ze zijn eigenlijk helemaal niet zo kwaadaardig. Ze vragen mij om hen te begrijpen en vertellen mij dat hetgeen ik voel het leven is en dat de aarde het paradijs is dat ik er zelf van wil maken.

“Liefhebben betekent lijden. Om lijden te vermijden, moet men niet liefhebben. Maar dan lijdt iemand aan het niet liefhebben. Gelukkig zijn betekent liefhebben. Gelukkig zijn betekent dan lijden.”

-Sonia, in Love and Death door Woody Allen-

Jij en ik hebben demonen

Stel je voor dat iemand je vertelt dat je gerust verdrietig mag zijn, dat het normaal is en dat het van tijd tot tijd zelfs noodzakelijk is. Stel je voor dat jij deze persoon bent, dat je je eigen gevoelens accepteert en de hele wereld laat weten dat je vandaag geen goede dag hebt gehad, simpelweg omdat ze nu eenmaal niet allemaal goed kunnen zijn.

Het is namelijk zo, in onze hedendaagse wereld, dat het lijkt alsof we verplicht zijn om onszelf goed te voelen en lijden te vermijden. Lijden wordt neergezet als iets abnormaals, negatiefs en ver verwijderd van een leven dat gezien kan worden als vervullend.

Het lijkt zelfs zo dat jezelf slecht voelen niet overeenkomt met wat in de maatschappij wordt gezien als een gezond en gelukkig leven. Soortgelijk wordt iemand vaak vreemd aangekeken wanneer hij zegt dat hij zich slecht voelt, maar dat het toch goed met hem gaat en zorgt dit ervoor dat men probeert te bedenken wat er mis is met deze persoon dat hij zoiets raars kan zeggen.

We hebben onszelf in de val gelokt om overmatig optimisme van ons leven te eisen. We hebben nooit geleerd welke waarde lijden heeft.

Zowel mijn demonen als de jouwe vechten tegen de stroming van positieve uitspraken en motiverende posters die hen er toe dwingen een schuilplaats te zoeken, om zich te verstoppen achter een papieren muur en zich te voeden met onderdrukking. Het droevige en het negatieve verdienen ook een plek in ons leven. Krijgen ze dit namelijk niet, dan zullen ze ontploffen en ons verstikken. Tegenwoordig hebben we zelfs niet meer het recht om te fronsen wanneer iets ons stoort. Genoeg met het voortdurend toegeven aan de tirannie en de dictatuur van overmatig optimisme!

Ik wil niet gedwongen worden om altijd maar gelukkig te zijn. Mijn verdriet is namelijk het enige dat ervoor zorgt dat ik mijn geluk en genot waardeer. Bovendien laat het mij weten wanneer iets niet goed gaat en wanneer ik me zorgen moet maken. Als ik nooit verdrietig zou zijn, dan zou ik niet weten hoe ik het moet waarderen wanneer ik niet verdrietig ben. Als je het zo bekijkt, is geluk egoïstischer en laat het mij denken dat alles goed gaat, waardoor ik minder tijd heb om goed te reageren wanneer het eigenlijk helemaal niet goed goed gaat.

Ik wil noch een pessimistisch of melancholisch persoon zijn, noch mezelf verwijten door mijn demonen deprimerend te noemen. Ik leid namelijk simpelweg gewoon mijn leven en accepteer dat mijn dagen verschillende nuances hebben, evenveel nuances als het aantal omstandigheden waar ik mezelf dagelijks in bevindt.

Mijn demonen verdedigen geeft mij dus twee opties: mezelf accepteren of mezelf afwijzen. Wanneer ik niet accepteer dat mijn demonen bestaan, dan zullen ze ervoor zorgen dat ik voor altijd moet lijden in de poging om ze te vermijden of dat ik gefrustreerd raak over het gegeven dat mijn demonen mij altijd weten te vinden en mij steeds steviger knuffelen, tot ik uiteindelijk buiten adem raak. Dat is niet goed.

Daarom probeer ik liever ruimte voor ze vrij te maken en ze van tijd tot tijd met open armen te ontvangen, zodat ze mijn geest kunnen verlichten. Mijn demonen zijn namelijk oprecht wanneer ik ze binnenlaat en ze laten mij weten dat het het waard is om te vechten, omdat het het waard is om gelukkig te zijn.

Het motto ‘je moet jezelf goed voelen om gelukkig te zijn’ is namelijk niet mijn motto. Ik heb een sterke voorkeur voor het idee dat verdriet en geluk zij aan zij leven en elkaar nodig hebben en dat het gezonder is om te leven met de gedachte dat ‘ik mezelf goed zal voelen, zelfs wanneer ik mezelf soms slecht voel’. De manier waarop ik op mijn demonen reageer hangt namelijk af van de mate waarin ik mezelf open stel voor een natuurlijk onderdeel van het leven.

Wanneer mijn demonen geconfronteerd worden met rechtvaardigingen voor bijna alles, dan zullen ze tegen mij blijven schreeuwen, totdat ze uiteindelijk in staat zijn om mijn ziel te kwetsen en mij het gevoel geven dat ik nooit vervulling zal vinden, omdat ik niet in staat ben om in het moment te leven of omdat ik vanaf het moment dat ik opsta tot het moment dat ik in slaap val geen behoefte heb om te lachen.

Om deze reden alleen al behoud ik het recht om mijn verdriet te gebruiken wanneer ik dit wil. Mijn demonen weigeren namelijk om in de val te trappen die hen doet groeien. Mijn demonen  houden van me en proberen mij eigenlijk helemaal geen kwaad te doen. Ze geven me simpelweg zo nu en dan een knuffel, zonder dat ik moeite doe om tegen te stribbelen om ze er aan te herinneren dat ik leef.