Het rattenpark-experiment: wat is dit?

27 januari, 2020
Lees in dit artikel alles over het beroemde rattenpark-experiment!
 

Het beroemde rattenpark-experiment bood fascinerende inzichten in de aard van verslaving. Ratten werden vaak gebruikt voor ‘psychologische experimenten’ vanwege hun genetische gelijkenis met mensen. Vijfennegentig procent van het menselijk genoom is identiek aan dat van ratten.

Studies met ratten worden altijd uitgevoerd in gecontroleerde omgevingen (met andere woorden, laboratoria). De meeste proefdieren leven alleen in kooien, zonder enig contact met de buitenwereld. Dit is uiteraard een volledig onnatuurlijke manier voor deze dieren om te leven.

“De houding die inherent is aan consumentisme is die van het verslinden van de hele wereld. De consument is de eeuwige zuigeling die om de fles roept. Dit is duidelijk in pathologische fenomenen, zoals alcoholisme en drugsverslaving.”

-Erich Fromm-

In de jaren ’60 gebruikten wetenschappers ratten om onderzoek naar verslaving te doen. Ze gebruikten toen zoiets als Skinner-boxen, kooien die waren ontworpen met elektrische apparaten die de ratten konden belonen met voedsel of ze konden straffen met elektrische schokken.

Met deze kooien konden wetenschappers en gedragspsychologen gedrag bestuderen. Het rattenpark-experiment brak echter los van dit model. Blijf lezen om erachter te komen waarom.

Rat in handen van laborant
 

Verslaafde ratten

Wat de gedragspsychologen in de jaren ’60 deden, was chirurgisch een toevoerapparaat in de ratten zelf plaatsen. Vervolgens stopten ze de ratten in Skinner-boxen (individuele kooien). Daarna leerden ze de ratten de hendel in de kooi in te drukken. Als ze op de hendel drukten, gaven de ratten zichzelf een dosis psychoactieve medicijnen.

In bijna alle gevallen was de desbetreffende drug heroïne. Heroïne is een van de meest verslavende drugs aller tijden. Het punt was dat elke keer dat een rat de hendel bewoog, hij onmiddellijk een dosis van deze drugs kregen.

De onderzoekers merkten op dat in bepaalde omstandigheden sommige ratten herhaaldelijk op de hendel drukten en zichzelf van grote hoeveelheden van deze drugs voorzagen.

Sommige ratten raakten zo bedwelmd dat ze vergaten te eten of drinken. Het enige dat ze niet vergaten, was hoe ze meer heroïne konden krijgen. Veel van de ratten stierven daardoor in de loop van het experiment. De onderzoekers concludeerden dat als mensen dezelfde toegang hebben tot dit soort drugs, ze hetzelfde lot zouden ondergaan.

Toen kwamen professor Bruce Alexander en een groep onderzoekers van de Simon Fraser Universiteit in Canada op het toneel en stelden het idee van het rattenpark-experiment voor.

Het rattenpark-experiment

Professor Bruce Alexander geloofde dat het feit dat ratten geïsoleerd werden gehouden, het onmogelijk maakte om objectieve conclusies te trekken uit de experimenten. Alle ratten in het experiment waren albino’s, afstammelingen van een ras van Noorse ratten.

 

Dit is een sociale, nieuwsgierige en intelligente soort. Geïsoleerd zijn in kooien was duidelijk niet hun natuurlijke habitat. Met dit alles in het achterhoofd kwamen deze nieuwe onderzoekers vervolgens met het idee om een rattenpark te creëren.

Alexander vroeg zich af of ‘vrije’ ratten zich op dezelfde manier zouden gedragen als de gekooide ratten. Is er een aangeboren neiging tot verslaving? Wanneer de ratten drugs gebruikten, was het enige mogelijke resultaat dat ze bleven gebruiken tot ze doodgingen?

Om deze vragen te beantwoorden, startte Alexander in 1977 het rattenpark-experiment. Zijn onderzoeksteam begon met twee groepen dieren. Eén groep leefde in de normale laboratoriumkooien , geïsoleerd van elkaar.

Voor de andere groep bouwden de onderzoekers echter een oppervlakte van 200 keer de grootte van één van de kooien. De ruimte was zo gemaakt zodat het eruit zag als een park, met veel planten en bomen.

Een rat die onderdeel is van het rattenpark-experiment

Isolatie en verslaving onderzocht met het rattenpark-experiment

De onderzoekers  noemden hun experiment het ‘rattenpark-experiment’ en introduceerden wilde ratten in het rattenpark om te communiceren met de laboratoriumratten. Zowel de gekooide ratten als de ratten in het rattenpark hadden toegang tot morfine.

 

De onderzoekers gaven de ratten vervolgens de keuze tussen twee vloeistoffen. De ene bevatte morfine en de andere niet. Ze verborgen de bittere smaak van de morfine met een suikeroplossing.

Na een paar dagen begonnen de gekooide ratten een voorkeur te tonen voor de vloeistof verrijkt met morfine. De ratten in het rattenpark begonnen ook de vloeistof met morfine te drinken, maar pas enkele dagen later.

Tijdens het experiment merkten wetenschappers op dat de gekooide ratten 19 keer meer morfine consumeerden dan de ratten in het rattenpark. De vrije ratten leken leken de voordelen te begrijpen van het niet consumeren van de drug en verzetten zich ertegen, zelfs wanneer ze er al van gedronken hadden.

Alexander en zijn team introduceerden variaties in het experiment. Ze zorgden er bijvoorbeeld voor dat enkele ratten in beide groepen verslaafd raakten, maar het patroon veranderde niet veel.

Sociaal isolement in huidige samenleving

Het rattenpark-experiment liet zien hoe sociaal isolement een bepaalde factor kan zijn bij het ontwikkelen van een drugsverslaving. Het gezelschap van andere ratten en de vrijheid van het park leken de wens van de ratten om te consumeren aanzienlijk te verminderen.

Toen ze wel toegaven aan de morfine, deden de getroffen ratten er alles aan om weer naar hun normale toestand terug te keren. Dit hield in dat ze zelfs door een periode van ontwenning moesten.

Daar onze huidige samenleving nu vooral gericht is op schermen en mobiele apparaten, komt sociaal isolement steeds vaker voor. Dit kan een probleem vormen in het midden van een toch al aanzienlijke verslavingscrisis. Hierdoor zijn de resultaten van het rattenpark-experiment nu relevanter dan ooit.

 
  • Alexander,  Bruce K., Barry L. Beyerstein, Patricia F. Hadaway And Robert B. Coambs (1981). “Effect of Early and Later Colony Housing on Oral Ingestion of Morphine in Rats”. Pharmacology, Biochemistry & Behavior, Vol. 15. pp. 571-576, 1981.