Dutton en Aron: foutieve toeschrijving van opwinding

05 april, 2020
De theorie van foutieve toeschrijving van opwinding wijst erop dat we de oorzaken van wat we voelen of ervaren, soms toeschrijven aan niet-verwante factoren. De psychologen Donald Dutton en Arthur Aron hebben dit bewezen door een klassiek experiment uit te voeren.

Het experiment van Dutton en Aron zorgde voor het ontstaan van de theorie van de foutieve toeschrijving van opwinding. Dit is één van de grootste klassiekers uit de psychologie. Het heeft te maken met de aantrekking tussen twee mensen. Bovendien helpt het ons begrijpen hoe verrassend de menselijke hersenen precies kunnen zijn.

Aantrekking en liefde zijn complexe gevoelens. Ze omvatten emoties, opvoeding en houdingen. Toch is er nog meer: hormonen en neurotransmitters.

Het experiment van Dutton en Aron toont hoe misleidend de vlinders kunnen zijn die we in onze buik voelen. De waarheid is dat wat bepalend is voor de aantrekking, soms meer te maken heeft met de chemie in de hersenen dan met persoonlijke smaak.

De theorie van de foutieve toeschrijving van opwinding is afgeleid van de attributietheorie die de Oostenrijkse psycholoog Frits Heider in 1958 voorstelde.

Dit gaf aanleiding tot de theorie van de fundamentele attributiefout van Lee Ross en tot de theorie van de cognitieve dissonantie van Leon Festinger. Dutton en Aron hebben deze hypotheses opnieuw opgenomen en ze gebruik als de fundamenten voor hun beroemde experiment.

De rol van de hersenen in aantrekking

De attributietheorie

Fritz Heider stelde de attributietheorie voor. Volgens deze theorie hebben we van nature de neiging om oorzakelijke toeschrijvingen te maken omtrent de gebeurtenissen en veranderingen waarvan we getuige zijn.

We zijn met andere woorden geïnteresseerd in weten waarom mensen doen wat ze doen en waarom alles gebeurt. Dit is iets dat we automatisch doen. Het punt is echter dat we nog geen seconde stilstaan en nadenken over hoe legitiem deze toeschrijvingen werkelijk zijn.

Bovendien stelt de theorie van de foutieve toeschrijving dat we de innerlijke omstandigheden van mensen groter maken om op die manier te weten hoe we moeten handelen. Een voorbeeld is dat we de persoonlijkheid overschatten in plaats van meer aandacht te schenken aan andere externe factoren.

Wanneer we ons eigen gedrag verklaren, dan geven we daarentegen meer waarde aan externe factoren dan aan innerlijke motieven. Het fenomeen van de cognitieve dissonantie geeft dit ook weer.

We leggen het uit met een voorbeeld. Wanneer we onszelf in een situatie bevinden waarbij twee van onze overtuigingen of gedragingen onderling in conflict zijn, dan verzinnen we vaak redenen om ze in harmonie te brengen.

Het experiment van Dutton en Aron

Het experiment dat Donald Dutton en Arthur Aron uitgevoerd hebben, is algemeen bekend als de Capilano Ophangbrug-studie. De naam doet het al vermoeden. Deze twee psychologen maakten gebruik van twee bruggen om hun punt te bewijzen.

De eerste brug was klein, stevig en modern. De tweede brug bevond zich echter 70 meter boven de grond in de Capilano Canyon. Het was een oude brug die bewoog in de wind en bij elke stap trilde.

Er waren twee groepen mannen. Dutton en Aron vroegen aan elke groep om één van de twee bruggen over te steken. Welnu, beide groepen ontmoetten in het midden van elke brug een heel aantrekkelijke vrouw.

Ze vertelde hen dat ze een studie van landschappen maakte. Dat was een excuus om hen te vragen een deel van wat ze zagen te beschrijven. Op het einde gaf ze hen op een flirterige manier haar telefoonnummer.

Wat was nu het resultaat? In wezen was het zo dat de mannen die de korte en veilige brug overstaken, eigenlijk geen tweede keer naar de vrouw omkeken. De mannen die de gevaarlijke brug overstaken, riepen de vrouw. Ze waren namelijk erg geïnteresseerd in haar. Wat schuilt er achter deze twee verschillende gedragingen?

Het experiment van Dutton en Aron

De theorie van de foutieve toeschrijving van opwinding

Dit experiment stelde ons in staat tot de volgende vaststelling. Soms kunnen de hersenen heel misleidend zijn. De mannen die de gevaarlijke brug overstaken, voelden meer adrenaline dan de mannen die de veilige brug overstaken.

We kunnen daarom aannemen dat een aantrekkelijke vrouw vinden halverwege hun oversteek een heel positieve invloed op hen had. Op zijn beurt verdrong dit de eigenlijke reden waarom zij zich tot het meisje aangetrokken voelden.

De theorie van de cognitieve dissonantie is perfect van toepassing op dit geval. Het angstgevoel werd geconfronteerd met de stimulatie van een aantrekkelijke vrouw.

De vrijwilligers in het experiment hadden dus gemengde gevoelens. Een dosis adrenaline samen met de flirterige houding van de vrouw hadden een sterke aantrekking tot haar tot gevolg. Kortom, de twee gewaarwordingen kwamen samen en leidden tot dat resultaat.

Het is ook bewezen dat mensen in risicovolle situaties vaak welwillendere verbindingen ontwikkelen met de mensen die hen nabij staan. We verwijzen hier uiteraard naar gecontroleerde en niet naar extreme risico’s.

Wanneer de situatie verschrikkelijk is of voor paniek zorgt, dan zal met zekerheid het tegenovergestelde gebeuren. Het individu ziet de mensen om zich heen dan als een bedreiging en is geneigd ze af te wijzen.

  • Gomila, A. (2003). La perspectiva de segunda persona de la atribución mental. Azafea: Revista de Filosofía, 4.