De theorie van de machiavellistische intelligentie

· februari 16, 2019

De theorie van de machiavellistische intelligentie staat ook bekend als de hypothese van de sociale hersenen. Het verklaart waarom de hersenen van de homo sapiens zo snel geëvolueerd zijn.

Ongeveer 400.000 jaar geleden begon dit orgaan te groeien en zich te ontwikkelen. Toch heeft het zichzelf pas 50 000 jaar geleden tot stand gebracht. Hoe kunnen we dit fenomeen verklaren?

Francis de Wall heeft in 1982 de uitdrukking “machiavellistische intelligentie” voor het eerst gebruikt. In deze periode deden vele wetenschappers onderzoek naar het sociale en politieke gedrag van apen.

Het was echter pas in 1988 dat de theorie waarmee we tegenwoordig zo vertrouwd zijn, uitgewerkt werd. De psychologen Richard W. Byrne en Andrew Whiten omschreven deze theorie toen ze onderzoek deden voor de universiteit van St. Andrews in Schotland.

Deze twee academici hebben bovendien hun bevindingen gepubliceerd in hun werk De Machiavellistische Intelligentie: Sociale Kennis en de Evolutie van de Intelligentie bij Apen, Mensapen en Mensen. De theorie van de machiavellistische intelligentie was dus geboren. Wat zijn dan precies de stellingen van deze theorie?

De stellingen van de theorie van de machiavellistische intelligentie

De evolutie van de menselijke hersenen

Jouw hersenen hebben een grote eetlust

De hersenen maken 2% uit van jouw totale lichaamsgewicht. Ze gebruiken echter ongeveer 20% van de energie van je lichaam. De voornaamste brandstof van de hersenen is glucose. Ze gebruiken één vierde van het totale verbruik van glucose.

Wanneer je het op die manier bekijkt, dan zou je kunnen zeggen dat denken leegmaken is. Dat geldt zelfs nog meer wanneer je bedenkt dat we slechts 10% van de energie kunnen verklaren die de hersenen verbruiken. De resterende 90% is nog steeds een mysterie…

Toch zijn de menselijke hersenen veel sneller geëvolueerd dan de hersenen van andere zoogdieren. In slechts 25 miljoen jaar hebben zich in het genoom meerdere mutaties voorgedaan. Vooral de neocortex verdient bijzondere aandacht.

Het is namelijk het meest ontwikkelde deel van de hersenen. Wanneer we alles in overweging nemen, dan is het de moeite waard om de vraag te stellen waarom de hersenen zo’n complex orgaan geworden zijn.

Cognitieve en sociale complexiteit

Er bestaan vele theorieën die proberen een verklaring te geven voor de sprong van eenvoudige naar complexe hersenen. Van al deze theorieën is de theorie van de machiavellistische intelligentie nog steeds één van de belangrijkste.

Deze hypothese stelt dat de ontwikkeling van de hersenen een gevolg is van de stijging in de cognitieve eisen van onze omgeving. Op zijn beurt is dat het resultaat van ons sociaal leven. Intense wedijver, het stijgende aantal sociale interacties, samenleven en de interpersoonlijke complexiteit zijn prikkels en drijfkrachten voor de evolutionaire druk.

Belangrijk neurologisch en anatomisch bewijs ondersteunt de theorie van deze auteurs. Zij geloven ook dat dit gevolgen heeft voor de ontwikkeling van de algemene intelligentie.

Cognitieve en sociale complexiteit

Noodzakelijke strategieën

De verdedigers van dit idee geloven dat nieuwe uitdagingen nieuwe strategieën vereisen zodat we ons kunnen aanpassen aan onze omgeving. Er is namelijk sprake van groeiende en nieuwe sociale problemen.

We moeten dus onze aanpassing aan onze dynamische omgeving verbeteren. De neurofysiologie levert eigenlijk bewijs dat deze vindingrijkheid verbonden is met het anticiperen op toekomstige gebeurtenissen en met het nemen van beslissingen.

Van daaruit leren mensen de kunst van het bedrog, van de leugen en van de manipulatie. Het einddoel is sociaal succes verwerven. Deze hulpmiddelen noemen we “machiavellistisch”. De reden is dat ze allerlei soorten gedrag omvatten die niet noodzakelijk ethisch zijn.

Hier kan je het verband zien tussen een machiavellistische persoon (een persoonlijkheid die gekenmerkt wordt door sociopathie) en de besproken theorie.

Volgens de theorie van de machiavellistische intelligentie worden bedrieglijk zijn en hulpvaardig zijn beschouwd als sociaal intelligente gedragingen.

De ontwikkeling van de hersenen (een resultaat van de sociale evolutie) maakt het ons mogelijk om onze emoties te sturen en de emoties van anderen te herkennen. Het maakt het ook gemakkelijker om sociale structuren te herkennen en met andere mensen om te gaan.

We weten dan ook welke rol andere mensen in verschillende situaties spelen. Bovendien geeft het ons de mogelijkheid om hun handelingen te interpreteren. Het bevordert namelijk het begrip van de houdingen en de bedoelingen van anderen.

Natuurlijke selectie

Natuurlijke selectie

Om deze theorie te verklaren moet we het principe van de natuurlijke selectie van Charles Darwin niet vergeten. De twee theorieën komen samen. Ze hebben namelijk hetzelfde idee dat de individuen die in staat zijn om succesvolle sociale en voortplantingsstrategieën te ontwikkelen, die personen zijn die welvarend zijn.

Mensen met betere sociale vermogens hebben met andere woorden een grotere kans op overleven.

De theorie van de machiavellistische intelligentie heeft weinig te maken met andere grote theorieën die op basis van praktische redenen de ontwikkeling van de hersenen rechtvaardigen.

Deze theorie gelooft dat de hersenen groter werden omdat de noodzaak bestond om de confrontatie met nieuwe problemen aan te gaan: gereedschap gebruiken, onderdak zoeken of voedsel vinden.

De theorie van de machiavellistische intelligentie is fundamenteel. Het helpt ons het verband te begrijpen tussen de evolutie van de hersenen en het niveau van sociale ontwikkeling bij verschillende soorten.

De stelling van deze theorie is dat intelligentie verbonden is met een reeks vaardigheden. Die maken het de mens mogelijk om zich voortdurend aan nieuwe situaties aan te passen waar de sociale dimensie regeert. Bedankt, evolutie! Bedankt, plastische hersenen! 

  • The Machiavellian intelligence hypotheses: editorial. Whiten, Andrew; Byrne, Richard W. Machiavellian intelligence: Social expertise and the evolution of intellect in monkeys, apes, and humans. 1988.