De meester-knechtdialectiek van Hegel

· februari 9, 2019

De meester-knechtdialectiek is de theoretische constructie van Georg Hegel. Het wordt beschouwd als een van de sleutelelementen van zijn filosofie die ook andere filosofen in latere jaren heeft beïnvloed. Niet alleen werd het de basis voor het dialectisch materialisme van Karl Marx, maar het had ook een sterke invloed op de psychoanalyse.

Volgens Hegel condenseert de menselijke werkelijkheid tot wat wij universele geschiedenis noemen. Wat deze geschiedenis heeft gekenmerkt, is de ongelijke relatie tussen mensen. Sommigen tiranniseren, anderen worden getiranniseerd.

Dit is waar de meester-knechtdialectiek op is gebaseerd. Het zijn de conflicten tussen mensen die zorgen voor beweging, wat heeft geresulteerd in ongelijkheid.

Voor Hegel is dialectiek een redenering waarin twee stellingen tegengesteld zijn. Tegelijkertijd leidt dit tot nieuwe concepten. Je hebt een these die bepaalde redeneringen oproept, deze wordt gevolgd door een antithese die de problemen en tegenstrijdigheden van de these blootlegt.

De synthese komt voort uit de dynamiek tussen de these en de antithese, en wordt een oplossing of een nieuw perspectief op de materie.

Verlangen en de meester-knechtdialectiek

In Hegels meester-knechtdialectiek speelt begeerte een zeer belangrijke rol. De filosoof verklaarde dat dieren een verlangen hebben dat bevredigt wordt met een onmiddellijk object. Het dier is zich niet bewust van wat het verlangt. Dit is echter anders voor de mens.

Hegel

Volgens Hegel is geschiedenis gelijk aan de geschiedenis van sociale relaties, die onthuld wordt wanneer twee menselijke verlangens tegenover elkaar staan. Wat mensen werkelijk verlangen, is om begeerd te worden door anderen.

Met andere woorden, ze willen erkend worden door anderen. Dit betekent dat menselijk verlangen in essentie een verlangen naar erkenning is.

Mensen willen dat anderen hen een autonome waarde geven, een waarde die van henzelf is en die hen van anderen onderscheidt. Dit is wat de menselijke natuur definieert. Mensen willen zichzelf dan ook laten gelden ten opzichte van anderen, dit is volgens Hegel het belangrijkste kenmerk van menselijke wezens.

Zelfbewustzijn wordt dus alleen gecreëerd wanneer anderen hen als autonome wezens erkennen. Tegelijkertijd zal dit zelfbewustzijn, als het zich bedreigd voelt door dat van een ander, zichzelf verdedigen tot op de dood.

De geschiedenis van Hegels perspectief

Hegel construeerde zijn meester-knechtdialectiek op basis van deze concepten. De dialectiek stelde dat de geschiedenis vanaf het eerste moment twee figuren kent: de meester en de knecht. De eerste legt zijn wil op aan de tweede.

Dit doet hij door de verlangens van de ander niet te erkennen. De meester maakt de knecht tot object, die vervolgens zijn verlangen naar erkenning moet opgeven, voornamelijk uit angst om te sterven.

Er ontstaat dan ook een vorm van bewustzijn in de gedomineerde. Hij begint de ander te erkennen als de meester en begint zichzelf als de knecht te zien.

Als gevolg daarvan is hij niet in staat om zijn zelfbewustzijn vorm te geven: hij gaat er gewoon maar van uit dat de mening van de meester het enige is dat ertoe doet. Dit vormt de essentie van de meester-knechtdialectiek.

Slavernij evolutie

Dit alles heeft belangrijke gevolgen voor de productie. De meester komt niet in contact met de grondstof of het ‘ding’ dat de knecht transformeert met zijn werk.

De knecht, op zijn beurt, komt er alleen mee in contact om het te transformeren; het is echter niet van hem en het is niet de bedoeling dat hij het consumeert. Het is een beetje als de arbeider die stenen maakt maar geen huis heeft.

Meesters en knechten

Wat Hegel stelt is dat de dialectiek van de geschiedenis de dialectiek is van de meester en de knecht. Sinds het begin van de geschiedenis zijn er mensen die domineren en mensen die gedomineerd worden.

De meester is een erkende entiteit, terwijl de knecht het erkennen voor zijn rekening neemt. De knecht houdt dan ook op een autonome entiteit te zijn en wordt iets dat gevormd is door de meester.

Vanwege die dominantie, dwingt de meester de knecht om voor hem te werken. Dit werk is niet het creatieve proces van de knecht. In plaats daarvan is het iets dat hem wordt opgelegd waardoor hij eigenlijk het object van het werk wordt.

De meester zal uiteindelijk echter afhankelijk zijn van de knecht om te kunnen overleven. En er zal altijd een moment komen waarop de rollen omdraaien. De knecht is onmisbaar voor de meester, maar de meester is niet onmisbaar voor de knecht.

Ketenen

Het concept van de meester-knechtdialectiek markeerde een voor en een na in de geschiedenis van de filosofie. Het is nog altijd van kracht, ook al hebben nog zoveel andere mensen het bestudeerd en opnieuw geïnterpreteerd.