Kohlbergs theorie over morele ontwikkeling

· oktober 31, 2018

Kohblergs theorie over morele ontwikkeling is een van de belangrijkste en meest invloedrijke modellen om de ontwikkeling van onze moraliteit als mensen te verklaren.

Gedurende ons leven hebben we allemaal onze eigen moraliteit ontwikkeld, die niet kan worden overgedragen op anderen. Onze waarden maken niet alleen een onderscheid tussen ‘goed’ en ‘kwaad’ in de abstracte wereld, maar beïnvloeden ook ons gedrag, onze percepties en onze gedachten. Je zou zelfs kunnen zeggen dat ze soms zo geïnternaliseerd zijn dat ze ook onze emoties beïnvloeden.

Tegelijkertijd hebben we ook allemaal ons eigen morele kompas. Het is daarom altijd lastig geweest om een universeel moreel kompas te creëren. Dit probleem houdt veel filosofen en denkers al sinds mensenheugenis bezig. En daardoor zijn er in de loop der jaren ook veel perspectieven ontstaan.

Het Kantiaanse perspectief van moraliteit is gebaseerd op groepswinst. Er bestaat echter ook een utilitaristisch perspectief, dat geïnspireerd wordt door het welzijn van het individu.

Psycholoog Lawrence Kohlberg wilde een stap terugdoen van de betekenis van moraliteit en juist de ontwikkeling ervan bestuderen. Het maakte hem niet uit wat goed of fout was. Hij was alleen geïnteresseerd in de weg die mensen afleggen om dat idee van goed en kwaad te bereiken.

Op basis van meerdere interviews en studies merkte hij op dat kinderen hun moraliteit opbouwen naarmate ze ouder worden. Morele ontwikkeling vindt plaats net als de ontwikkeling van andere vaardigheden, zoals taal of logica.

In Kohlbergs theorie over morele ontwikkeling, is er sprake van drie niveaus: preconventioneel, conventioneel en postconventioneel. Elk van deze niveaus is verder onderverdeeld in twee fasen. Het is belangrijk om te begrijpen dat we niet alle fasen doorlopen. Noch bereiken we allemaal het laatste niveau van ontwikkeling.

Hieronder leggen we elk van de fasen van morele ontwikkeling in detail uit.

Morele ontwikkeling volgens Kohlberg

Kohlbergs theorie van morele ontwikkeling

Fase 1: gericht op gehoorzaamheid en straf

Deze fase van Kohlbergs theorie van morele ontwikkeling maakt deel uit van het preconventionele niveau. Hier zien we dat de persoon alle morele verantwoordelijkheid delegeert aan een autoriteit. De beloningen of straffen die worden toegekend door deze autoriteitsfiguur bepalen voor hem wat goed en fout is.

Een kind kan bijvoorbeeld denken dat het niet maken van zijn huiswerk alleen fout is omdat zijn ouders hem hiervoor op zijn kop geven.

Deze manier van denken belemmert zijn vermogen om het bestaan ​​van morele dilemma’s te accepteren. Morele dilemma’s zijn problemen die moreel gezien geen duidelijk antwoord hebben. Dit komt doordat de zienswijze van de autoriteitsfiguur alles formuleert en de persoon dit legitimeert.

Dit is het meest simpele niveau van morele ontwikkeling. Het richt zich niet op de verschillen in belangen of intenties achter bepaald gedrag.  De enige factoren die relevant zijn in deze fase zijn de gevolgen: beloningen of straffen.

Fase 2: gericht op individualisme of hedonisme

In de tweede fase van Kohlbergs theorie van morele ontwikkeling komt er een nieuw idee tevoorschijn. Die idee houdt in dat iemands belangen van individu tot individu kunnen variëren. Hoewel de criteria om te bepalen of iets goed of fout is nog steeds afhankelijk zijn van de gevolgen van onze handelingen, worden ze niet langer bepaald door anderen.

In deze fase denkt het individu dat alles wat hem ten goede komt, juist is. Tegelijkertijd is alles dat leidt tot verlies en ongemak, per definitie verkeerd.

Deze fase van morele ontwikkeling lijkt misschien erg egoïstisch, toch kan het ook zijn dat het individu soms denkt dat het goed is om in de behoeften van anderen te voorzien. Dit zal echter alleen zo zijn als er sprake is van een pragmatische wederkerigheid of garantie. Hiermee bedoelen we het idee dat als je iets voor iemand doet, diegene daardoor ook iets voor je terug moet doen.

Deze fase is iets ingewikkelder dan de vorige fase omdat het individu de constructie van zijn moraliteit niet langer overlaat aan de autoriteitsfiguren om hem heen. De redenering blijft echter eenvoudig en zelfzuchtig.

Fase 3: gericht op interpersoonlijke relaties

Het conventionele niveau van morele ontwikkeling volgens Kohlberg, begint in deze fase. Het individu moet de karakteristieke zelfzucht van de vorige fase opgeven, omdat hij steeds complexere relaties begint op te bouwen. Voor hem is het nu het belangrijkst om te worden geaccepteerd in een groep. Zijn idee van moraliteit zal dan ook rond dit aspect draaien.

In deze fase wordt wat het juiste is om te doen bepaald door wat anderen behaagt of helpt. Hier wordt de nadruk gelegd op de goede bedoelingen achter iemands gedrag en de mate waarin dit gedrag wordt goedgekeurd door anderen. De definitie van moraliteit is gebaseerd op het zijn van een ‘goed persoon’, dat wil zeggen loyaal, respectabel, samenwerkend en vriendelijk zijn.

Kinderen staan in kring

Er bestaat een zeer interessante test die kan helpen bepalen of kinderen deze fase hebben bereikt. De test bestaat uit het bekijken van twee video’s:

  • Eén video laat een kind zien dat iemand pest (dit kind doet expres iets stouts, hoewel het iets kleins is).
  • In de andere video richt een kind veel meer schade aan, maar dit keer per ongeluk (hij maakt bijvoorbeeld per ongeluk een vlek op zijn kleding of breekt een glas).

Een kind dat al geleerd heeft om te kijken naar iemands intentie om een moreel oordeel te vellen, zal zeggen dat het kind dat expres schade aanrichtte zich het slechtst gedroeg, hoe groot of klein de schade ook was.

Een kind dat deze fase in Kohlbergs theorie van morele ontwikkeling nog niet heeft bereikt, zal echter zeggen dat het kind dat zich het slechtst gedroeg, het kind was dat de meeste schade aanrichtte, zonder te kijken naar zijn intenties.

Fase vier: gericht op autoriteit en het handhaven van sociale orde

Het individu bekijkt moraliteit niet langer op basis van wat zijn groep denkt. In plaats daarvan begint hij het te bekijken op basis van de maatschappij. Wat de mensen om hem heen of zijn groep vindt, doet er niet langer toe. De criteria om te bepalen of iets goed of fout is, zijn gebaseerd op de vraag of iets bijdraagt ​​tot het handhaven van de sociale orde of dat het dit juist belemmert.

In deze fase is het vooral belangrijk dat er sprake is van stabiliteit in de samenleving, en geen chaos.

Het individu heeft dan ook veel respect voor wetten en autoriteiten. Deze worden belangrijk omdat ze de individuele vrijheid beperken ten gunste van sociale orde of gemeenschappelijk welzijn. Moraliteit gaat verder dan persoonlijke banden en is verbonden aan de huidige wetgeving. Hij mag deze wetten niet verbreken omdat ze dienen om de sociale orde te handhaven.

Fase: gericht op sociale afspraken

Met deze fase betreden we tevens het laatste niveau van morele ontwikkeling. Niveau drie is een niveau dat maar heel weinig mensen tijdens hun leven bereiken. In fase vijf begint het individu moraliteit namelijk te zien als een flexibele en variabele materie. Goed of kwaad bestaan alleen maar omdat de maatschappij nu eenmaal een aantal morele criteria heeft vastgelegd.

Mensen in deze fase begrijpen de redengeving achter wetten en op basis daarvan verdedigen of bekritiseren ze een wet. Bovendien zien ze deze wetten niet als iets dat voor altijd vastligt, maar eerder iets dat eventueel ook verbeterd kan worden. Voor mensen of kinderen in deze fase houdt moraliteit in dat je vrijwillig deelneemt aan een geaccepteerd sociaal systeem.

Het is voor iedereen beter om bepaalde sociale contracten te hebben.

Elkaars handen vasthouden

Fase 6: gericht op het universele ethische principe

Deze laatste fase van Kohlbergs theorie is de meest complexe fase van het hele ontwikkelingsproces. Hier creëert het individu zijn eigen ethische principes. Deze zijn uitgebreid, rationeel en universeel toepasbaar. Het zijn abstracte morele concepten die moeilijk uit te leggen zijn en die verder gaan dan bestaande wetten.

De persoon bouwt zijn moraliteit op aan de hand van zijn eigen ideeën over hoe de maatschappij moet zijn, ​​en niet aan de hand van de ideeën over moraliteit die de maatschappij hem oplegt.

Een belangrijk aspect van deze fase is de universele toepassing ervan. Het individu past dezelfde criteria op anderen toe als op zichzelf. Bovendien behandelt hij anderen net zoals hij zelf behandeld zou willen worden. Althans, dat probeert hij. Doet hij dit niet, dan bevindt hij zich op een veel eenvoudiger niveau, meer vergelijkbaar met de individualistische fase.

Nu weten we hoe moraliteit zich ontwikkelt bij mensen volgens Kohlbergs theorie van morele ontwikkeling. Hierdoor hebben we ook de kans om er zelf op te reflecteren. In welke fase van morele ontwikkeling bevind jij je?