Het leven van psychologe Mary Ainsworth

juli 6, 2019
Mary Ainsworth was een belangrijke wetenschapper en psychologe. Zij werkte de hechtingstheorie van Bowlby verder uit. Daarnaast was zij ook geïnteresseerd in alle aspecten omtrent vrouwen en menselijke wezens in het algemeen die de psychologie in die tijd over het hoofd leek te zien.

Mary Ainsworth was een Amerikaans-Canadese psychologe. Samen met John Bowlby ontwikkelde zij één van de meest geweldige en ondersteunende psychologische theorieën over de sociale ontwikkeling op vroege leeftijd: de hechtingstheorie.

Aanvankelijk hebben zij deze theorie enkel betreffende kinderen ontwikkeld. In de jaren ’60 en ’70 heeft Ainsworth echter nieuwe begrippen ingevoerd die geleid hebben tot een uitbreiding van deze theorie en zich ook op volwassenen richtte.

Doorheen de twintigste eeuw was zij één van de meest geciteerde psychologen. Eigenlijk is haar briljante theorie tot vandaag de dag de peiler waarop talrijke onderzoekers en psychologen hun onderzoeken gebaseerd hebben.

Universiteiten overal ter wereld gebruiken haar werk als voorbeeld. Bovendien heeft zij vele erkenningen gekregen ondanks het feit dat ze in een tijdperk leefde waarin vrouwen in hun professionele rol heel ingeperkt werden.

Tijdens haar jaren aan de universiteit begon Mary Ainsworth na te denken over de hechtingsrelatie die kinderen meestal met de moederfiguur vormen.

Het leven van Ainsworth draaide echter niet alleen rond studies en vragen. Eigenlijk was haar leven veel dynamischer dan we van een vrouw van haar tijd zouden verwachten. Laten we eens wat dieper in haar leven graven.

Het werk van Mary Ainsworth

Het leven van Mary Ainsworth

Mary Ainsworth werd geboren in de Verenigde Staten. Haar familie verhuisde echter naar Toronto in Canada toen ze nog een klein meisje was. Aan de universiteit van Toronto studeerde ze af in de Ontwikkelingspsychologie.

Ze behaalde haar doctoraat in 1939. Nadat ze haar studies beëindigd had, sloot ze zich bij het Canadese Women’s Army Corps aan en bracht vier jaar in het leger door.

Korte tijd later huwde ze en verhuisde met haar echtgenoot naar Londen. In die tijd begon ze aan het Tavistock Institute of Human Relations te werken samen met de psychiater John Bowlby. De twee wetenschappers begonnen experimenten uit te voeren waarbij ze kinderen van hun moeder scheidden.

In 1953 verhuisde ze naar Uganda. Daar ging ze aan het East African Institute of Social Research werken. Ze zette er haar onderzoek naar de vroege relaties tussen moeder en zoon verder.

Na een tijd verwierf ze een positie aan de John Hopkins University in de Verenigde Staten. Later ging ze aan de universiteit van Virginia werken. Daar bleef ze verder werken aan haar theorie over hechting tot haar beroepsmatige pensionering in 1984.

“De neiging om met bijzondere individuen sterke emotionele banden te creëren is een basisbestanddeel van de menselijke aard.”

-John Bowlby-

De hechtingstheorie

John Bowlby wordt beschouwd als de vader van de hechtingstheorie. De onderzoeken van Bowlby hebben aangetoond dat kinderen aangeboren verkennend gedrag bezitten.

Als ze zich echter onbeschermd of in gevaar voelen, is hun eerste reactie toch om de steun van hun moeder of van hun voornaamste verzorger te zoeken. Aan deze theorie heeft Mary Ainsworth een nieuw begrip toegevoegd: de vreemde situatie.

Mary Ainsworth onderzocht de relatie tussen kinderen en hun verzorgers door in meerdere verschillende contexten “de vreemde situatie” toe te voegen. De “vreemde situatie” bestond erin een vreemde persoon in de context van de moeder-zoon relaties toe te voegen.

Op basis van de resultaten die ze verkreeg, heeft Mary Ainsworth vervolgens de theorie uitgebreid door drie hechtingsstijlen toe te voegen: veilige hechting, onveilig-vermijdende hechting en onveilig-ambivalente/afwerende hechting.

Later hebben andere onderzoekers haar theorie verder uitgebreid. De hechtingstheorie die we vandaag kennen, is het resultaat van de toevoegingen van andere psychologen.

De verschillende hechtingstypes

Mary Ainsworth en de verschillende hechtingstypes

Later werd nog een vierde hechtingstype aan de hechtingstheorie toegevoegd. Mary Ainsworth heeft echter alleen deze drie types bepaald en omschreven:

  • Veilige hechting: Wanneer het kind zich geliefd en beschermd voelt. Ook al is de verzorger afwezig en voelt het kind een zekere onrust op het moment dat ze gescheiden worden, toch weten ze zeker dat hun verzorger snel zal terugkeren.
  • Onveilige-vermijdende hechting: Wanneer het kind met een intense angst reageert op de scheiding van de moeder of van de verzorger. Het lijkt erop dat dit hechtingstype het resultaat is van een beperkte beschikbaarheid van de moeder of van de voornaamste verzorger. Kinderen met dit hechtingstype leren dat hun moeder er niet altijd zal zijn wanneer ze het nodig hebben.
  • Onveilige-ambivalente/afwerende hechting: Dit hechtingstype ontwikkelt zich wanneer de voornaamste verzorger er niet in slaagt om op een consequente manier aan de behoeften van het kind te beantwoorden. Deze kinderen ontwikkelen een groot gevoel van wantrouwen en leren om in de toekomst niet op zoek te gaan naar hulp.

Het uitmuntende werk van Mary Ainsworth

Mary Ainsworth werd zich heel bewust van hoe belangrijk het is om een gezonde relatie te ontwikkelen met de moederfiguur. Zij dacht namelijk dat dit belangrijk was omdat het in de toekomst een invloed op het kind kon hebben.

Zij was voorstander van programma’s die vrouwen zouden helpen om tegelijkertijd te werken en moeder te zijn. Eerlijk gezegd was het in die tijd voor vrouwen bijna onmogelijk om dit te doen. Tegenwoordig zien we dit echter dagelijks.

De toegang tot universiteitsstudies, onderzoeksprogramma’s, de werkwereld enzovoort leek niet te verzoenen met de huishoudelijke taken, vooral de taken die de maatschappij oplegde (echtgenote en moeder zijn).

Om deze reden beschouwen velen Mary Ainsworth als één van de voorlopers wat betreft de programma’s rond het evenwicht tussen werk en leven voor moeders.

Als vrouwelijke onderzoeker wist zij dat haar werk de academische wereld moest overstijgen. Zij wou toekomstige vrouwen helpen om hun eigen individuele levenspad te kiezen.

In 1999 stierf Mary Ainsworth op de leeftijd van 86 jaar. Ze had haar hele leven gewijd aan de ontwikkeling van één van de belangrijkste psychologische theorieën.

  • Delgado, A. O., & Oliva Delgado, A. (2004). “Estado actual de la teoría del apego”. Revista de Psiquiatría y Psicología del Niño y del Adolescente4(1), 65-81.
  • Main, M. (2001). “Las categorías organizadas del apego en el infante, en el niño, y en el adulto: Atención flexible versus inflexible bajo estrés relacionado con el apego”. Aperturas psicoanalíticas8.
  • Marrone, M., Diamond, N., Juri, L., & Bleichmar, H. (2001). La teoría del apego: un enfoque actual. Madrid: Psimática.
  • Wallin, D. J. (2012). El apego en psicoterapia. Desclée de Brouwer.