Gegeneraliseerde angststoornis: theoretische modellen

september 24, 2019
In dit artikel identificeren we de factoren die de ontwikkeling van gegeneraliseerde angststoornis bevorderen en ook de factoren die dit in stand houden.

Op de een of andere manier zijn we allemaal bekend met het concept van angst. We weten dat iedereen er op zijn eigen manier mee omgaat en dat er verschillende aandoeningen aan verbonden zijn. Een daarvan is de gegeneraliseerde angststoornis.

Het Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM-5) definieert angst op verschillende manieren, waaronder een gegeneraliseerde angststoornis.

Deze stoornis wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van angst en overmatige, hardnekkige zorgen die moeilijk onder controle te houden zijn (piekeren). Deze zorgen kunnen betrekking hebben op verschillende gebeurtenissen of activiteiten en zijn het resultaat van drie of meer fysiologische symptomen.

Daarnaast hebben patiënten gedurende een periode van minimaal zes maanden last van angst of zorgen gedurende de meeste dagen van deze periode.

De ontwikkeling van gegeneraliseerde angststoornis

De derde editie van het Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM-III, APA, 1980) introduceerde in eerste instantie gegeneraliseerde angststoornis als één enkele diagnose. Deskundigen gebruikten het echter vaak als een restdiagnose voor personen die niet voldeden aan de diagnostische criteria van andere angststoornissen (1).

Deze publicatie definieerde gegeneraliseerde angststoornis als chronisch en overtuigend piekeren (2). Vervolgens werd het in de volgende publicatie, de DSM-IV-TR, gekenmerkt als excessief, uit de hand gelopen piekeren over verschillende zaken die zich op de meeste dagen gedurende minstens zes maanden voordoen.

Deze overmatige bezorgdheid veroorzaakt ook ongemak en/of achteruitgang in het functioneren. Ook bestaat het uit ten minste drie van de volgende aspecten:

  • rusteloosheid of nervositeit
  • oververmoeidheid
  • problemen met concentreren
  • prikkelbaarheid
  • spierspanning
  • slaapstoornissen

Om gegeneraliseerde angststoornis te behandelen gebruikt men psychiatrische medicatie en cognitieve gedragstherapie (CGT) (3, 4, 5). Farmacotherapie kan effectief zijn bij het verminderen van angstklachten. Medicatie lijkt echter geen significante invloed te hebben op het piekeren, wat het bepalende kenmerk van deze stoornis is (3).

Een vrouw verbergt haar gezicht achter haar handen

Huidige theoretische modellen van gegeneraliseerde angststoornis

Het vermijdingsmodel

Het vermijdingsmodel (6) is gebaseerd op Mowrers twee-factorentheorie van angst (1974). Ook ontleent het enkele van zijn concepten uit de emotionele verwerkingstheorie van Foa en Kozak (7, 8).

Het vermijdingsmodel stelt dat piekeren een op gedachten gebaseerde activiteit is, die ontstaat als een poging om levendige mentale beeldvorming en bijbehorende somatische en emotionele activering te remmen.

Deze remming vermijd in het bijzonder de emotionele verwerking van angst, die theoretisch noodzakelijk is voor een succesvolle gewenning en het uitroeien van angstopwekkende prikkels.

Intolerantie van onzekerheid

Volgens dit model ervaren personen die lijden aan gegeneraliseerde angststoornis situaties van onzekerheid als ‘stressvol en irritant’. Als gevolg daarvan ontstaat er chronisch piekeren als reactie op die situaties (10).

Deze mensen geloven dat piekeren hen kan helpen om beter om te gaan met de gebeurtenissen waar ze bang voor zijn. Ze kunnen zelfs geloven dat het dergelijke gebeurtenissen zal voorkomen (11, 12).

Dit piekeren, samen met de gevoelens van angst die daarmee gepaard gaan, leidt tot een negatieve benadering van het probleem. Het leidt ook tot cognitieve vermijding, wat het piekeren nog versterkt. In het bijzonder ervaren mensen die een negatieve benadering van het probleem het volgende:

  • een gebrek aan vertrouwen in hun vaardigheid om problemen op te lossen
  • het zien van problemen als een bedreiging
  • frustratie als ze geconfronteerd worden met een probleem
  • pessimisme over het resultaat van hun pogingen om het probleem op te lossen

Deze gedachten verergeren het piekeren en de angst (10).

Het metacognitieve model

Het metacognitieve model stelt dat mensen die lijden aan gegeneraliseerde angststoornis twee soorten zorgen ervaren. Wells, de auteur van het model, definieerde type 1-zorgen als wanneer iemand zich zorgen maakt over niet-cognitieve gebeurtenissen, zoals externe situaties of fysieke symptomen (Wells, 2005).

Volgens Wells beginnen mensen met gegeneraliseerde angststoornis met zich zorgen te maken over type 1-zorgen. Ze maken zich zorgen dat hun piekeren oncontroleerbaar is of dat het inherent gevaarlijk kan zijn. Dit ‘zorgen over zorgen’ (metazorgen) is wat Wells een type 2-zorgen noemt.

Wells associeerde deze type 2-zorgen met een reeks ineffectieve strategieën die erop gericht zijn om te voorkomen dat men zich zorgen maakt over deze type 2 -zorgen. Deze strategieën bestonden met name uit pogingen om gedrag, gedachten en/of emoties te controleren (10).

Een man zit in elkaar gedoken tegen een muur

Emotionele instabiliteitsmodel

Het emotioneel instabiliteitsmodel is gebaseerd op de literatuur over emotietheorie en de regulering van emotionele toestanden in het algemeen. Dit model bestaat uit vier centrale componenten: (10)

  • Het eerste component stelt dat personen die lijden aan een gegeneraliseerde angststoornis emotionele hyper-opwinding ervaren. Met andere woorden, hun emoties zijn intenser dan die van de meeste mensen. Dit geldt voor zowel positieve als negatieve emoties, maar vooral voor negatieve emoties.
  • Het tweede component stelt dat mensen met een gegeneraliseerde angststoornis een slecht begrip van emoties hebben. Dit omvat bijvoorbeeld tekortkomingen in het beschrijven en labelen van emoties. Het betreft ook de toegang tot en toepassing van nuttige informatie over emoties.
  • Vervolgens wordt in de derde component bepaald dat mensen met een gegeneraliseerde angststoornis een meer negatieve houding hebben over bepaalde emoties dan andere mensen.
  • Tot slot stelt de vierde component dat deze personen over weinig of geen adaptieve emotieregulering beschikken. Ook gebruiken ze managementstrategieën die hen mogelijk nog slechter laten voelen dan de gevoelens die ze in het begin hadden moeten reguleren.

Het acceptatiemodel

Volgens de auteurs Roemer en Orsillo bestaat dit model uit vier componenten:

  • interne ervaringen
  • een problematische relatie met interne ervaringen
  • het vermijden van ervaringen
  • gedragsrestrictie

Daarom suggereren de ontwikkelaars van dit model dat mensen die lijden aan een gegeneraliseerde angststoornis negatieve reacties hebben op hun eigen interne ervaringen, en gemotiveerd zijn om te proberen deze ervaringen te vermijden. Dit doen ze zowel gedragsmatig als cognitief (door te blijven piekeren).

Tot slot hebben deze vijf theoretische modellen een belangrijk kenmerk gemeen. Ze richten ze zich namelijk allemaal in het bijzonder op de gevolgen van het vermijden van interne ervaringen als een copingstrategie.

In de afgelopen jaren is het onderzoek aanzienlijk vooruitgegaan als het gaat om theorievorming over deze stoornis. Er is echter behoefte aan meer fundamenteel onderzoek naar de voorspellende componenten van de vijf modellen.

  1. Barlow, D. H., Rapee, R. M., & Brown, T. A. (1992). Behavioral treatment of generalized anxiety disorder. Behavior Therapy23(4), 551-570.
  2. Barlow, D. H., DiNardo, P. A., Vermilyea, B. B., Vermilyea, J., & Blanchard, E. B. (1986). Co-morbidity and depression among the anxiety disorders: Issues in diagnosis and classification. Journal of Nervous and Mental Disease.
  3. Anderson, I. M., & Palm, M. E. (2006). Pharmacological treatments for worry: Focus on generalised anxiety disorder. Worry and its psychological disorders: Theory, assessment and treatment, 305-334.
  4. Borkovec, T. D., & Ruscio, A. M. (2001). Psychotherapy for generalized anxiety disorder. The Journal of Clinical Psychiatry.
  5. Fisher, P. L. (2006). The efficacy of psychological treatments for generalised anxiety disorder. Worry and its psychological disorders: Theory, assessment and treatment, 359-377.
  6. Borkovec, T. D., Alcaine, O., & Behar, E. (2004). Avoidance theory of worry and generalized anxiety disorder. Generalized anxiety disorder: Advances in research and practice2004.
  7. Foa, E. B., & Kozak, M. J. (1986). Emotional processing of fear: exposure to corrective information. Psychological bulletin99(1), 20.
  8. Foa, E. B., Huppert, J. D., & Cahill, S. P. (2006). Emotional Processing Theory: An Update.
  9. Borkovec, T. D., & Inz, J. (1990). The nature of worry in generalized anxiety disorder: A predominance of thought activity. Behaviour research and therapy28(2), 153-158.
  10. Behar, E., DiMarco, I. D., Hekler, E. B., Mohlman, J., & Staples, A. M. (2011). Modelos teóricos actuales del trastorno de ansiedad generalizada (TAG): revisión conceptual e implicaciones en el tratamiento. RET, Revista de Toxicomanías63.
  11. Borkovec, T. D., & Roemer, L. (1995). Perceived functions of worry among generalized anxiety disorder subjects: Distraction from more emotionally distressing topics. Journal of behavior therapy and experimental psychiatry26(1), 25-30.
  12. Davey, G. C., Tallis, F., & Capuzzo, N. (1996). Beliefs about the consequences of worrying. Cognitive Therapy and Research20(5), 499-520.
  13. Robichaud, M., & Dugas, M. J. (2006). A cognitive-behavioral treatment targeting intolerance of uncertainty. Worry and its psychological disorders: Theory, assessment and treatment, 289-304.
  14. Roemer, L., & Orsillo, S. M. (2005). An acceptance-based behavior therapy for generalized anxiety disorder. In Acceptance and mindfulness-based approaches to anxiety (pp. 213-240). Springer, Boston, MA.