De drie dimensies van de persoonlijkheid volgens Hans Eysenck

· januari 4, 2019

Hans Eysenck was één van de meest omstreden en productieve psychologen van de twintigste eeuw. Toen hij in 1997 overleed, was hij de meest geciteerde onderzoeker in de psychologie.  In dit artikel bespreken we zijn theorie over de drie dimensies van de persoonlijkheid.

Eysenck heeft een opmerkelijke bijdrage geleverd aan het veld van de psychologie. Hij publiceerde 80 boeken en schreef honderden artikels. Hij was ook de oprichter en uitgever van het invloedrijke tijdschrift “Persoonlijkheid en Individuele Verschillen.”

Hans Eysenck werd in 1916 geboren in Duitsland. Zijn verzet tegen de Nazipartij dwong hem te vluchten, eerst naar Frankrijk en dan naar Groot-Brittannië. Hij behaalde zijn doctoraat in de psychologie aan de universiteit van Londen in 1940.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkte Hans Eysenck als psychiater in het Mill Hill Emergency Hospital. Tussen 1945 en 1950 was hij psycholoog in het Maudsley Hospital. Later werd hij directeur van de afdeling psychologie aan het Institute of Psychiatry van de universiteit van Londen. Hij behield deze positie tot 1983.

Hans Eysenck ontwikkelde een persoonlijkheidstheorie die heel invloedrijk is. Het heeft zoveel invloed omdat het heel specifieke punten behandelt. Ze zijn ook gemakkelijk te gebruiken in een dagelijks betoog. Zijn persoonlijkheidstheorie is gebaseerd op biologische factoren.

Hij stelt dat individuen een soort zenuwstelsel erven dat hun vermogen om te leren en zich aan de omgeving aan te passen beïnvloedt. Het werk van Eysenck kreeg echter kritiek omdat hij aangaf dat biologische of genetische factoren de persoonlijkheid beïnvloeden. Deze factoren zouden bepalend zijn voor de vatbaarheid van een individu om over te gaan tot misdadig gedrag.

Hans Eysenck

Het PEN-model van de persoonlijkheid

Hans Eysenck gebruikte factoranalyse om zijn theorie te ontwerpen. Op die manier identificeerde hij drie persoonlijkheidsfactoren: psychoticisme, extraversie en neuroticisme (PEN). Elke factor is een bipolaire dimensie. Dit betekent dat elke factor een tegengestelde heeft. Dit leidt tot de drie dimensies van de persoonlijkheid:

  • Extraversie versus introversie
  • Neuroticisme versus emotionele stabiliteit
  • Psychoticisme versus normaliteit (in 1976 toegevoegd aan het model)

Eysenck geloofde dat biologische factoren de score van een persoon op deze dimensies van de persoonlijkheid beïnvloeden. Tot die biologische factoren behoren ook de niveaus van de corticale opwinding en de hormonale niveaus, samen met de omgevingsfactoren zoals aangeleerd gedrag.

We moeten ook vermelden dat Eysenck de term “psychoticisme” echt veranderd heeft. Wanneer men deze term in zijn model gebruikt, dan verwijst het naar bepaalde antisociale gedragingen en niet naar een geestelijke ziekte.

Vóór hij het PEN-model ontwikkelde, probeerde Eysenck de persoonlijkheid in twee dimensies te meten: extraversie-introversie en neuroticisme-emotionele stabiliteit.

De drie dimensies van de persoonlijkheid

Extraversie versus introversie

Mensen met hoge scores voor extraversie nemen meer deel aan sociale activiteiten. Ze zijn vaak ook meer communicatief en voelen zich meer op hun gemak in een groep. In het algemeen genieten extraverte mensen ervan om het middelpunt van de aandacht te zijn.

Vaak bouwen ze ook een groter sociaal netwerk van vrienden en metgezellen op. Extraversie wordt op een continuüm gemeten dat gaat van hoog (extravert) tot laag (introvert).

Anderzijds zijn introverte mensen vaak rustiger. Ze schuwen grote sociale bijeenkomsten. Vaak kunnen ze zich ook ongemakkelijk voelen wanneer ze met vreemden moeten omgaan. Zij hebben daarentegen kleinere groepen dichte vrienden. De kans is groter dat zij genieten van bespiegelende activiteiten.

De Zwitserse psychoanalist Carl Jung stelde dat het niveau van de dimensie extraversie-introversie afhankelijk was van de focus van de psychische energie van een individu. Jung geloofde dat deze energie bij extraverte mensen naar buiten gericht was, naar andere mensen.

Het resultaat was meer sociale interacties. De psychische energie van introverte mensen wordt integendeel naar binnen geprojecteerd. Dit zorgt ervoor dat ze aan activiteiten deelnemen die minder sociaal zijn (Jung, 1921).

Eysenck geloofde echter dat extraversie te maken had met de niveaus van de hersenactiviteit of van de corticale opwinding. Extraverte personen ervaren lagere niveaus van corticale opwinding. Dit zorgt ervoor dat ze op zoek gaan naar opwinding uit externe prikkels. De hogere activatie bij introverte mensen zorgt ervoor dat zij prikkels vermijden die tot een grote opwinding kunnen leiden.

Volgens de wet van Yerkes en Dodson kunnen de niveaus van opwinding de prestatievermogens van een individu aantasten. De theorie stelt dat de opwinding en de prestatie een klokvormige curve vormen. De prestatie neemt af tijdens perioden van een hoge of een lage opwinding (Yerkes en Dodson, 1908).

De drie dimensies van de persoonlijkheid

Neuroticisme versus emotionele stabiliteit

In zijn theorie over de dimensies van de persoonlijkheid heeft Hans Eysenck ook een tweede dimensie geponeerd: emotionele stabiliteit of neuroticisme.

Mensen met een hoge score voor neuroticisme ervaren vaak meer stress en angst. Ze maken zich zorgen over kwesties die vrij onbelangrijk zijn. Ze overdrijven ook hun mening en voelen zich niet in staat om stresserende factoren het hoofd te bieden.

Deze mensen richten hun aandacht eerder op de negatieve aspecten van een situatie dan op de positieve. Dit kan ervoor zorgen dat een persoon een onevenredig negatieve kijk op de dingen aanneemt. Ze kunnen ook afgunst of jaloezie ten aanzien van anderen voelen omdat die zich volgens hen in een betere positie bevinden.

Volgens Eysenck zijn perfectionisme en ontevredenheid de kenmerken van neuroticisme. Aan de andere kant zijn er de mensen met een lage score voor neuroticisme. Die individuen zullen meestal een grotere emotionele stabiliteit ervaren.

We hebben het dan over mensen die zich grotendeels meer in staat voelen om met stressvolle gebeurtenissen om te gaan. Ze slagen er ook in om doelen te stellen die bij hun vermogens passen. Mensen met een lage score voor neuroticisme zijn vaak ook toleranter voor de fouten van anderen. Ze bewaren bovendien hun kalmte in veeleisende situaties.

Psychoticisme versus normaliteit

Hans Eysenck heeft pas later psychoticisme toegevoegd aan zijn theorie over de dimensies van de persoonlijkheid. Deze derde persoonlijkheidsdimensie varieert van normaliteit (een lage score voor psychoticisme) tot een hoog niveau van psychoticisme.

Mensen met een hoger psychoticismeniveau zullen vaker onverantwoordelijk en slecht berekend gedrag vertonen. Deze mensen kunnen ook sociaal aanvaarde regels overtreden. Hun motivatie is vaak een behoefte aan onmiddellijke voldoening, ongeacht de gevolgen.

Psychoticisme heeft echter ook positievere verbanden. In een studie uit 1993 vergeleek Eysenck de deelnamescores op de Barron-Welsh Art Scale met de scores op de Eysenck Personality Questionnaire. Hij stelde vast dat mensen met hoge scores voor psychoticisme vaak meer ontwikkelde creatieve vaardigheden bezaten.

Eysenck concludeerde dat psychoticisme beïnvloed werd door biologische factoren en verbonden was met het niveau van hormonen zoals testosteron.

Volgens het PEN-model verminderen hoge niveaus van psychoticisme het vermogen van een persoon om op conditionering te reageren. Dit betekent dat het moeilijker zou zijn om zich aan te passen aan sociale normen die we meestal door middel van beloning en straf leren.

Dit is het resultaat van deze redenering. De theorie stelt dat mensen meer vatbaar kunnen zijn voor misdadig gedrag als ze proberen hun eigen belangen te bevredigen. Tegelijkertijd overtreden ze ook de gedragsregels die anderen aanvaard hebben.

Eysenck legde een verband tussen persoonlijkheidskenmerken zoals psychoticisme, en criminele neigingen. Hij beklemtoonde ook de genetische factoren die deze kenmerken beïnvloeden. Dit heeft tot kritiek op zijn theorie geleid. De kritiek was dat Eysenck met zijn theorie een deterministische kijk op gedrag aangenomen had.

De theorie van Hans Eysenck

Kritiek op de theorie van Hans Eysenck

Onderzoekers kunnen de studie van tweelingen gebruiken om na te gaan of de persoonlijkheid genetisch is. De bevindingen zijn echter tegenstrijdig en niet eenduidig. Shields (1976) stelde vast dat eeneiige (identieke) tweelingen aanzienlijk meer op elkaar leken op vlak van de introverte-extraverte en psychotische dimensies dan twee-eiige (niet-identieke) tweelingen.

Loehlin, Willerman en Horn (1988) kwamen tot de vaststelling dat slechts 50% van de variaties in de scores op de persoonlijkheidsdimensies een gevolg was van erfelijke eigenschappen. Dit wijst erop dat ook sociale factoren belangrijk zijn.

De theorie van Eysenck bevat één overtuigend element. Hij beschouwt zowel de natuur als de opvoeding als bepalende factoren. Volgens Eysenck bepalen biologische aanleg voor bepaalde persoonlijkheidskenmerken, in combinatie met conditionering en socialisering tijdens de kindertijd, de dimensies van de persoonlijkheid.

Deze benadering gaat uit van wisselwerking. Het bevat dus een grotere geldigheid dan een zuiver biologische theorie of omgevingstheorie. Het is ook heel erg verbonden met het kwetsbaarheid-stressmodel. Dit model ondersteunt het idee van een biologische aanleg die in combinatie met een omgevingsprikkel tot een specifiek gedrag leidt.