Differentiële epidemiologie: intelligentie en sterfelijkheid

november 9, 2019
Bestaat er een verband tussen iemands intelligentie en zijn levensverwachting? Dit is een onderzoeksgebied van differentiële epidemiologie, wat we hier zullen toelichten.

Differentiële epidemiologie is een nieuw onderzoeksgebied dat de factoren bestudeert die een rol spelen bij mensen die gebruik maken van het gezondheidssysteem en of ze hun behandelingen wel of niet volgen. Twee van deze factoren zijn nu gepresenteerd: de vijf persoonlijkheidskenmerken en de G-factor van intelligentie.

Het hoofddoel van dit onderzoeksgebied van differentiële epidemiologie is om een verband te leggen tussen intelligentie (of de G-factor), persoonlijkheidskenmerken en mortaliteit.

In een onderzoek, uitgevoerd aan de Universiteit van Edinburgh (in het Engels) in 2017, ontdekten onderzoekers een verband tussen mensen die tekenen van intelligentie vertoonden toen ze kind waren en hun uiteindelijke dood. Ze concludeerden dat hoe hoger iemands intelligentie op 11-jarige leeftijd is, hoe groter de kans dat ze ouder zouden worden dan 80 jaar.

Met andere woorden, er lijkt een verband te bestaan tussen de G-factor en het in praktijk brengen van gezonde gewoonten, het nemen van de aanbevolen medicijnen, het volgen van een behandelingsregime, lichaamsbeweging en het volgen van een uitgebalanceerd dieet.

Differentiële epidemiologie

Dit kan betekenen dat naast dat het ons in staat stelt te redeneren, plannen te maken, problemen op te lossen, abstract te denken of complexe ideeën te begrijpen, onze intelligentie ook een goede voorspeller is van onze levensverwachting. Als je G-factor lager is dan 85, dan loop je volgens de onderzoekers een risico.

Blijkbaar gaat het bij de G-factor niet alleen over het volgen van behandelingen voor ziekten. Het zou ook kunnen helpen bij het anticiperen op en het voorkomen van onverwachte ongelukken. Sommige onderzoeken tonen aan dat mensen met een IQ lager dan 85 drie keer meer kans hebben op of overlijden bij een auto-ongeluk dan mensen met een IQ hoger dan 115.

Het moeilijke deel van het trekken van conclusies is dat niet alle mensen dezelfde medische behandeling krijgen. Ons gezondheidssysteem houdt ook op geen enkel moment rekening met de G-factor. Maar als dat wel zou gebeuren, dan zouden we mensen met lage IQ’s beter kunnen behandelen.

Als dit echt het geval is, hebben we te maken met een probleem van gebrek aan toegankelijkheid in ons huidige gezondheidssysteem. In het begin lijkt dit allemaal misschien niet zo logisch.

De sleutel tot verbetering van onze medische zorg is echter misschien niet alleen het aanbieden van meer diensten. Het goede antwoord zou kunnen zijn om de juiste zorg te bieden aan een persoon met een specifieke G-factor en persoonlijkheid.

Sterfelijkheid en persoonlijkheid

Sterfelijkheid en persoonlijkheid

De G-factor lijkt niet het enige te zijn dat iemands sterfelijkheid beïnvloedt. Het bestuderen van deze kant van het verhaal is ook niet het enige dat van belang is bij differentiële epidemiologie.

De vijf eigenschappen die Goldberg heeft genoemd – openheid voor ervaring, nauwkeurigheid, extraversie, vriendelijkheid en neuroticisme – kunnen ook een belangrijke rol spelen in de medische zorg.

In het geval van persoonlijkheidskenmerken heeft men de mogelijkheden bestudeerd of verschillende persoonlijkheidskenmerken de oorzaak kunnen zijn van bepaalde aandoeningen.

Consciëntieusheid of zorgvuldigheid zou bijvoorbeeld te maken hebben met het gebruik van alcoholische dranken, cannabis en tabak. Neuroticisme zou gekoppeld zijn aan depressie, angst en fobieën. Vriendelijkheid of beleefdheid zou te maken hebben met dingen zoals obsessieve-compulsieve stoornis (OCS), obsessies en schizofrenie.

Op dezelfde manier zouden deze persoonlijkheidskenmerken ook een zeer praktische relatie hebben met je algemene gezondheid. Als we kijken naar het integratieve persoonlijkheidsmodel, kunnen we zien dat sommige factoren belangrijker zijn dan andere.

Dat is het geval met consiëntieusheid, of zelfbeheersing, die temperamentvolle systemen regelt die door andere karaktereigenschappen worden gedefinieerd.

Een arts zou dus rekening moeten houden met bijvoorbeeld iemands consiëntieusheidsniveau om een behandelplan te bepalen. Ze moeten uiteraard ook naar de andere karaktereigenschappen kijken en hetzelfde basisproces doorlopen.

Fenocopieën en psychologische profielen

Het belang van differentiële epidemiologie is duidelijker als je nadenkt over wat het aanpassen van medische zorg aan de G-factoren van mensen zou kunnen betekenen. Als onderzoekers dit veld blijven bestuderen, kunnen we mogelijk profielen ontwikkelen op basis van iemands genen en hun interactie met de omgeving.

Dit zou ons helpen om beter te begrijpen hoe iemands intelligentie en persoonlijkheidskenmerken van invloed zijn op de manier waarop hij zijn leven leidt. Van daaruit kunnen we een psychologisch profiel ontwikkelen. Een profiel om de ideale manier te vinden om dingen te plannen zoals:

  • operaties
  • een bepaald type medicatie
  • welke dag iemand een bepaalde controle nodig heeft
Heeft het DNA ook invloed

Dingen die we in de praktijk kunnen brengen

We hebben nog lang niet genoeg studies over individuele genetica en differentiële epidemiologie. We kunnen echter toch beginnen met bepaalde dingen te implementeren bij controles, operaties en medische behandelingen. Dit zou een eerste stap zijn om het speelveld te egaliseren voor mensen met verschillende IQ’s.

Er zijn ook andere dingen met betrekking tot de G-factor die makkelijk in de praktijk gebracht kunnen worden. Denk bijvoorbeeld aan:

  • niet een bepaald leesniveau verwachten
  • precies communiceren wat een patiënt moet doen (en niet moet doen)
  •  recepten makkelijk maken zodat ze te begrijpen zijn door het grote publiek. Dit kan bijvoorbeeld door een eenvoudigere vocabulaire te gebruiken en overbodige informatie weg te laten

Personalisatie aan de hand van karaktereigenschappen

Wat persoonlijkheidskenmerken betreft, zouden we medische zorg moeten personaliseren op basis van de specifieke karaktereigenschappen van elke patiënt. Dit kan iets omvatten zo breed als mensen de juiste medicatie geven afhankelijk van hun persoonlijkheid.

Je zou bijvoorbeeld iemand met een hoge extraversie geen medicatie geven die zijn sociale leven zou kunnen beïnvloeden. Maar je zou iemand met een hoge consciëntieusheid een medicijn kunnen geven dat hun concentratie zou beïnvloeden omdat ze met die bijwerking om zouden kunnen gaan.

Of je zou direct kunnen werken aan een therapeutische relatie met iemand met een lage beleefdheid. Al deze dingen zouden meer doen dan alleen mensen te helpen om het beste van de gezondheidszorg te profiteren. Het zou het systeem zelf effectiever en sneller maken en de kans vergroten dat patiënten zich aan een behandeling houden.

Het op de hoogte zijn van de intelligentie- en persoonlijkheidsprofielen van een patiënt zou artsen ook kunnen helpen bij het opstellen van preventieplannen voor bepaald ongezond gedrag. Door te weten hoe mensen informatie verwerken, kunnen ze vervolgens de beste manier vinden om die informatie over te dragen.

  • Colom, R. y Flores, C. (2001). Inteligencia y Memoria de Trabajo: La relación entre factor G, Complejidad Cognitiva y Capacidad de Procesamiento. Psicologia: Teoria e Pesquisa, 17(1), 037-047.
  • Colom, R. (2017). Epidemiología cognitiva: un estudio poblacional prospectivo. España. Recuperado de: https://robertocolom.wordpress.com/2017/12/15/epidemiologia-cognitiva-un-estudio-poblacional-prospectivo/